wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H2 Thema 5 kort

Total questions: 22

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Door welke twee factoren komt het fenotype tot stand?

a)

Het genotype.

b)

Milieufactoren.

c)

Uiterlijke kenmerken.

d)

Meiose.

2.

Chromosomen bestaan uit twee verschillende stoffen. Welke stoffen zijn dat?

a)

DNA en eiwit

b)

DNA en basen

c)

Basen en eiwit

d)

DNA en genen

3.

Wat is het genotype?

a)

Alle informatie voor al je erfelijke eigenschappen.

b)

Het uiterlijk van een organisme.

c)

Alle genen op een chromosoom.

d)

Alle informatie voor een erfelijke eigenschap.

4.

Hoeveel chromosomenparen heeft een cel in de lever van een mens?

a)

46

b)

64

c)

32

d)

23

5.

Wat is een gen?

a)

Een deel van een chromosoom dat codeert voor een bepaalde eigenschap.

b)

Een deel van een allel dat codeert voor een bepaalde eigenschap.

c)

Een deel van een eigenschap dat codeert voor een bepaald allel.

d)

Een deel van een basenpaar dat codeert voor een bepaalde eigenschap.

6.

Komen de chromosomen in geslachtscellen in paren voor?

a)

Ja

b)

Nee

7.

Hoeveel chromosomenparen heeft een geslachtscel van een mens?

a)

0

b)

23

c)

32

d)

46

e)

64

8.

Zijn de chromosomen in alle cellen van een organisme hetzelfde?

a)

Ja

b)

Nee

9.

Waar codeert de volgorde van de basenparen in een gen voor?

a)

Het maken van een bepaald eiwit.

b)

Het maken van een bepaalde voedingsstof.

c)

Het maken van een bepaald allel.

d)

Het maken van een bepaalde cel.

10.

Geef aan of de volgende uitspraak juist of onjuist is:

Twee allelen van een allelenpaar coderen voor dezelfde eigenschap.

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Geef aan of de volgende uitspraak juist of onjuist is:

Bij geslachtelijke voortplanting lijken de nakomelingen allemaal sterk op elkaar.

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Wanneer noem je een organisme een mutant?

a)

Als een mutatie in het organisme in het fenotype te zien is.

b)

Als een mutatie in het organisme in het genotype te zien is.

c)

Als een organisme is veranderd.

13.

Waarom heeft de mutatie van een geslachtscel grote gevolgen?

a)

Omdat deze mutatie in alle cellen van het organisme dat ontstaat uit de geslachtscel voorkomt.

b)

Omdat het geslacht van het organisme hierdoor veranderd.

c)

Omdat een mutatie in een geslachtscel heel goed te zien is in het organisme.

14.

Mutaties kunnen ontstaan door invloeden vanuit het milieu. Hoe worden deze invloeden ook wel genoemd?

(a)  

15.
wat betekent:
evolutie
a)
langzame verandering
b)
snelle verandering
c)
het heilige boek van christenen
d)
soort
16.

Door klimaatverandering (vroeger en nu) zijn er diersoorten uitgestorven.

a)

waar

b)

niet waar

17.

Zowel het ontstaan als het uitsterven van diersoorten zijn allebei onderdelen van evolutie.

a)

waar

b)

niet waar

18.

Geef aan of de volgende uitspraak juist of onjuist is:

Geslachtelijke voortplanting is nodig voor evolutie.

a)

Juist

b)

Onjuist

19.

Welk van de volgende organismen heeft de grootste kans om te fossiliseren?

a)

A Een organisme dat in zee leeft.

b)

B Een organisme dat op het land leeft.

c)

C Een organisme zonder harde delen.

d)

D Een organisme dat bedekt raakt met sediment.

20.
Door middel van DNA kan worden na gegaan of twee dieren verwant zijn, dezelfde voor ouder hebben.
a)
Waar
b)
Niet waar
21.
De mens stamt af van een aap.
a)
Waar
b)
Niet waar
22.

Overeenkomsten in embryonale ontwikkeling wijzen op een gemeenschappelijke voorouder.

a)

Juist

b)

Onjuist