wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Transport

Total questions: 20

Worksheet time: 54mins

Name
Class
Date
1.

Een atleet uit Nederland traint enkele maanden in het hooggebergte. Hierna blijkt hij in Nederland tot een grotere prestatie te komen.


Welke verandering in het bloed zal mede tot deze grotere prestatie geleid hebben?

a)

een groter aantal witte bloedcellen

b)

een groter aantal rode bloedcellen

c)

een groter aantal bloedplaatjes

d)

een grotere hoeveelheid bloedplasma

2.

Bij iemand komt een afwijking van de bloedplaatjes voor, waardoor deze hun inhoud niet kunnen afgegeven.


Wat kan daarvan het gevolg zijn?

a)

het bloed stolt te snel

b)

het bloed kan niet stollen

c)

het bloed kan geen zuurstof vervoeren

d)

het bloed kan een virus niet meer aanvallen

3.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

4.

De afbeelding geeft de doorsnede van een bloedvat uit het been van een mens weer.


Is dit een beenader of beenslagader?

Vervoert dit bloedvat zuurstofarm of zuurstofrijk bloed?

a)

beenader / zuurstofarm

b)

beenslagader / zuurstofarm

c)

beenader / zuurstofrijk

d)

beenslagader / zuurstofrijk

5.

Over het hart van de mens worden twee beweringen gedaan:


1) In de wand van het hart vindt dissimilatie van glucose plaats

2) In de rechterkamer van het hart is de glucoseconcentratie in het bloed lager dan die in de linkerkamer


Welke bewering(en) is of zijn juist?

a)

Alleen bewering 1

b)

Alleen bewering 2

c)

Bewering 1 en 2

d)

Beide zijn onjuist

6.

Bekijk onderstaande stellingen:


1) Alle slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed

2) De poortader vervoert zuurstofrijk bloed naar de darmen


Welke is/zijn juist of onjuist?

a)

Beide juist

b)

Alleen 1 is juist

c)

Alleen 2 is juist

d)

Beide onjuist

7.

Een kransslagader van de mens is een aftakking van

a)

de aorta

b)

de armslagader

c)

de halsslagader

d)

de longslagader

8.

Bij de mens worden het begin van de longslagader en het begin van de aorta vergeleken met betrekking tot de volgende grootheden:


1) de bloeddruk

2) het aantal rode bloedcellen per mL bloed

3) het koolstofdioxidegehalte van het bloed

4) de hoeveelheid bloed die per minuut door het desbetreffende bloedvat stroomt


Welke van deze grootheden hebben vrijwel dezelfde waarde in het begin van de longslagader en in het begin van de aorta?

a)

1 en 3

b)

1 en 4

c)

2 en 3

d)

2 en 4

9.

Een via de leverader afgevoerd molecuul koolstofdioxide wordt bij de mens door een long uitgescheiden.


Door welke bloedvaten gaat dit molecuul in ieder geval?

a)

door een holle ader en een longslagader

b)

door een holle ader en een longader

c)

door een longslagader en de aorta

d)

door een longslagader en een longader

10.

Op welke plaatsen in de afbeelding kan bloed met vrijwel dezelfde samenstelling worden aangetroffen?

a)

op de plaatsen 1, 2 en 3

b)

op de plaatsen 4, 5 en 6

c)

op de plaatsen 7, 8 en 9

d)

op de plaatsen 3, 6 en 9

11.

Bij zoogdieren is de wand van de linkerkamer dikker dan die van de rechterkamer. Dit staat in verband met het feit dat de linkerkamer:

a)

kleiner is dan de rechter hartkamer en daardoor sneller moet kunnen pompen

b)

slechts zuurstofarm bloed ontvangt en dit bloed snel moet kunnen afvoeren

c)

het bloed door het sterkt vertakte haarvatennet van de longen moet pompen

d)

het bloed door het hele lichaam, behalve de longen, moet pompen

12.

1.

Bij een onderzoek werd er een 20 cm brede strook schors en bast rondom de stam van een den verwijderd tussen de bodem en de onderste takken. Dit beïnvloedt het transport in de boom.

Welke uitspraak over de gevolgen van deze ingreep is juist?

a)

De opname van stikstof wordt geremd, waardoor in de wortels een tekort ontstaat

b)

De verdamping stopt, de boom verliest al haar naden

c)

Transport van kalium en calcium van de wortels naar de naalden komt tot stilstand

d)

Het transport van suiker naar de wortels stopt waardoor die wortels afsterven

13.

Aan de rand van een plas groeien planten. Op een bewolkte, windstille ochtend in juni wordt van zonsopgang tot 10 uur ’s ochtends de stroomsnelheid gemeten van het vocht in de houtvaten in de stengel van een van de planten. Gedurende de meetperiode stijgt de luchttemperatuur van 13 °C naar 20 °C. Het transport als gevolg van mogelijke druk vanuit de wortel wordt buiten beschouwing gelaten.

Wat gebeurt er gedurende de meetperiode met de stroomsnelheid in de houtvaten?

a)

Wordt lager

b)

Wordt hoger

c)

Blijft gelijk

14.

De schimmel die de iepenziekte veroorzaakt, verspreidt zich via de houtvaten steeds verder in de boom. De houtvaten raken verstopt en binnen een jaar sterft de boom.

Wordt door het verstoppen van de houtvaten het transport van water en geremd? en die van minderalen?

a)

Ja het water wordt geremd

b)

Nee het water wordt niet geremd

c)

Ja het transport van mineralen wordt geremd

d)

Nee het transport van mineralen wordt niet geremd

15.

Bart loopt hard over een asfaltweg. De rubberzolen van zijn hardloopschoenen worden aangetrokken door het asfalt.

Waarvan is die aantrekking een voorbeeld?

a)

Osmose

b)

Cohesie

c)

Diffusie

d)

Adhesie

16.

Bart zegt: “Het volume is 11,5 mL en de cohesie is groter dan de adhesie.”

Nora zegt: “Het volume is 12,0 mL en de adhesie is groter dan de cohesie.”

Josefine zegt: “Het volume is 11,5 mL en de adhesie is groter dan de cohesie.”

Olaf zegt: “Het volume is 12,0 mL en de cohesie is groter dan de adhesie.”


Wie heeft er gelijk?

a)

Bart

b)

Nora

c)

Josefine

d)

Olaf

17.

Als kale rozenstruiken in het voorjaar uitlopen, vindt door de stengels transport plaats van water met opgeloste stoffen van beneden naar boven.

Zijn bij deze opgeloste stoffen suikers? En zouten?

a)

Alleen suikers

b)

Alleen mineralen

c)

Suikers en mineralen

18.

Dennentak


Toen de tak nog aan de boom zat, zijn door deze tak water en zouten naar de naalden vervoerd.

Onder invloed van welke krachten zijn water en zouten naar de naalden vervoerd?

a)

alleen door de capillaire werking

b)

alleen door de worteldruk en door de zuigkracht van de naalden

c)

door de capillaire werking, door de worteldruk en door de zuigkracht van de naalden

19.

Welke weg volgt het bloed in een vis?

a)

hart – de overige organen – kieuwen

b)

hart – kieuwen – de overige organen

c)

Hart – kieuwen – hart – de overige organen

20.

Welke eigenschap heeft een celmembraan?

a)

Een celmembraan is doorlatend.

b)

Een celmembraan is halfdoorlatend.