wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Toets m/h 1 periode 2. De tijd van Grieken en Romeinen

Total questions: 27

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

In het oude Griekenland had je ongeveer 700 verschillende stadstaten. Een stadstaat is een:

a)

Een staat waarin meerder steden liggen.

b)

Een stad met het omliggende land.

c)

Een staat waarin alle mensen die in steden wonen burgerrecht hebben.

d)

Een stad met meerdere staten.

2.

Hieronder staan drie zinnen over het dagelijkse leven van de oude Grieken. Welke zinnen zijn juist? Kies het juiste antwoord


1. In Athene bleven de vrouwen thuis. Zij zorgden voor het huishouden.

2. Vreemdelingen hebben in Athene burgerrecht.

3. Mannen met burgerrecht mogen in Athene beslissen over het bestuur.

a)

A) Alle drie de zinnen zijn juist

b)

B) Zinnen 1 en 3 zijn juist, zin 2 is onjuist

c)

C) Zin 1 en 2 juist, zin 3 is onjuist

d)

D) Zin 2 en 3 zijn juist, zin 1 is onjuist

3.

Maak de zin af. De naam van de Griekse oppergod was..........

a)

Zeus

b)

Poseidon

c)

Hades

d)

Apollo

4.

Maak de zin af. De naam van de vrouw van de oppergod was.............

a)

Athene

b)

Hera

c)

Hestia

d)

Aphrodite

5.

Maak de zin af. Hades was de god van.........

a)

De zee

b)

De liefde

c)

Het huwelijk

d)

De onderwereld

6.

Lees onderstaande bron:


In het tweede boek onderzocht Archimedes hoe een kegel in water blijft drijven. Preciezer gezegd: hoe de kegel in het water moet liggen om stabiel te zijn en niet te kantelen. Als je de vorm bijvoorbeeld met de top recht naar boven of recht naar beneden in het water legt, blijft hij niet zo drijven, maar kantelt tot hij een beetje schuin ligt. Dat is namelijk wel een stabiele positie…….


Kies het juiste woord. Deze bron gaat over:

a)

wetenschap

b)

Mythen / mythologie

c)

Kunst

d)

Godenverering

7.

Lees onderstaande bron.


Buiten de tempel stond het altaar voor dierenoffers. Hier wordt een koe geofferd. De tempel was mooi versierd. De Grieken mochten waarschijnlijk niet naar binnen in de tempel. Maar als men een offer bracht, wilde men er wel wat voor terug.


Kies het juiste woord. Deze bron gaat over:

a)

godenverering

b)

Kunst

c)

Wetenschap

d)

Mythen / mythologie

8.

De periode waarin de Grieken leefden noemen we de:

a)

Oudste geschiedenis.

b)

De tijd van Grieken en Romeinen.

c)

De prehistorie

d)

De oudheid.

9.

De Romeinen heersten over een heel erg groot gebied. Er zijn twee redenen waarom de Romeinen de baas konden blijven in een groot gebied. De eerste reden was het beroepsleger.


Wat was de tweede reden?

a)

Romeinen dwingen andere volken hun cultuur over te nemen.

b)

De Romeinen maken elk overwonnen volk tot slaaf.

c)

Het sluiten van bondgenootschappen met andere volken.

d)

De Romeinen stuurden alle andere volken hun rijk uit.

10.

De Romeinen maakten gebruik van een beroepsleger. Wat is geen voordeel van het hebben van een beroepsleger?

a)

Soldaten kunnen goed vechten. Het is hun beroep.

b)

De discipline onder soldaten is goed.

c)

De soldaten hebben een goede wapenuitrusting.

d)

Je moet de soldaten salaris/loon betalen.

11.

Geef aan welk woord niet in de opsomming past.


Latijn – Romeinse cijfers – paardenrennen – Germanen

a)

Germanen

b)

Latijn

c)

Paardenrennen

d)

Romeinse cijfers

12.

Geef aan welk woord niet in de opsomming past.


Romeinse cultuur – Romeins burgerrecht – natuurgodsdienst - offer

a)

Romeins burgerrecht

b)

Romeinse cultuur

c)

Offer

d)

Natuurgodsdienst

13.

Geef aan welk woord niet in de opsomming past.


Republiek – keizer – senaat – consuls

a)

Republiek

b)

Keizer

c)

Senaat

d)

Consuls

14.

Wie was de zoon van de populaire legerleider in de Romeinse republiek? Die zoon werd later zelf keizer.

a)

Augustus

b)

Herodes de heldhaftige

c)

Julius Caesar

d)

Nero

e)

Judas de joviale

15.

Lees onderstaande bron


Spanning en spektakel! Een gevecht op leven en dood tussen twee stoere gladiatoren in de arena! Een gladiator is meestal een krijgsgevangene, misdadiger of een ander soort slaaf. Voor het vermaak van de mensen vechten zij in een arena, die vaak ligt in een amfitheater, een soort stadion.


Deze bron gaat over:

a)

Griekse cultuur.

b)

Germaanse cultuur.

c)

Christelijke cultuur

d)

Romeinse cultuur.

16.

In de Romeinse samenleving is er sprake van sociale lagen.


Zoals je geleerd hebt ken je vier (4) sociale lagen.


Kies de juiste persoon. Wie van de personen hieronder hoort in de derde sociale laag?

a)

een man zonder vast werk

b)

een legeraanvoerder

c)

een slaaf

d)

een handelaar

17.

Noem de twee monotheïstische godsdiensten uit hoofdstuk 2.

a)

De islam en het jodendom.

b)

Het christendom en het jodendom.

c)

Het christendom en de islam.

d)

Artemis en Hermes.

18.

Het christendom heeft vijf (5) kenmerken. Wat is geen kenmerk van het christendom?

a)

Christenen geloven in 1 god

b)

Je moet geld geven aan de kerk om in de hemel te komen.

c)

Het belangrijkste boek in het christendom is de bijbel.

d)

Christenen komen samen in een gebouw dat we kerk noemen.

19.

Deze stadstaat had ingewikkeld regeringssysteem, waarbij werkelijke macht in handen was van ‘de raad der ouden’; kleine groep edelen die zichzelf het beste vond. Zij maakten de wetten, kozen bestuurders, legerleiders.


Vraag: welke bestuursvorm wordt hierboven beschreven?

a)

Monarchie

b)

Aristocratie

c)

Democratie

20.

509 v.C. Athene: een belangrijke verandering. Clisthenes stelde een volksvergadering in waarin alle burgers van Athene mochten meepraten over bestuur. Ieders stem telde even zwaar.


Vraag: welke bestuursvorm wordt hierboven beschreven?

a)

Democratie

b)

Aristocratie

c)

Monarchie

21.

In Griekenland zijn resten gevonden van grote paleizen uit de perioden 1600-1200 v.C., bijv. in Mycene. Daardoor weten we dat gebieden Griekenland toen werden bestuurd door machtige vorsten. Over die koninkrijken zijn oude verhalen bewaard gebleven.


Vraag: welke bestuursvorm wordt hierboven beschreven?

a)

Aristocratie

b)

Monarchie

c)

Democratie

22.

Voordat de Romeinen kwamen, leefden de mensen in houten huizen met een rieten dak. Toen de Romeinen in Nederland kwamen, ontstonden nederzettingen (dorp of stad). Hier gingen veel mensen wonen. De houten huizen verdwenen hierdoor. De Romeinen leerden de Nederlanders hoe zij huizen moesten bouwen van steen en met een dak van dakpannen. Ook leerden de Romeinen de Nederlanders hoe zij vloerverwarming moesten aanleggen. De Nederlanders waren wel onder de indruk van de Romeinen.


Vraag: over wat voor soort verandering lees je in bovenstaande bron?

a)

Een economische verandering

b)

Een culturele verandering

c)

Een politieke verandering

d)

Een sociale verandering

e)

Geen van genoemde veranderingen

23.

De mensen in Nederland kochten spullen door ze te ruilen. De Romeinen vonden dit niet handig. De Romeinen vonden het geld uit. Het ruilen ging niet helemaal weg. Op het platteland werd nog veel geruild. Spullen verkopen werd gedaan op een markt. Op de markt kon je ook spullen uit andere Romeinse landen kopen zoals wijn.


Vraag: over wat voor soort verandering lees je in bovenstaande bron?

a)

Een politieke verandering

b)

Een culturele verandering

c)

Een sociale verandering

d)

Een economische verandering

e)

Geen van genoemde veranderingen

24.

De Romeinen wilden geen koning meer, en besloten dat Lucius Junius Brutus een nieuwe regering moest bedenken. Hij bedacht het systeem waarbij twee consuls de baas waren, en de Senaat de consuls hielp met beslissingen. Elk jaar werden er twee nieuwe consuls gekozen. Dit systeem was gemaakt zodat er niemand meer was die heel veel macht had, zoals een koning, en het begon in 509 voor Christus.


Vraag: over welke soort verandering lees je in de bron hierboven?

a)

Een sociale verandering

b)

een politieke verandering

c)

een culturele verandering

d)

een economische verandering

e)

Geen van genoemde veranderingen

25.

Het christendom was erg populair onder de armen en de slaven in het Romeinse rijk.


Waarom was dat zo?

a)

Als je christen was kreeg je gratis brood van de keizer.

b)

Christenen werd een beter leven na de dood beloofd.

c)

Als christen hoefde je geen belasting te betalen.

d)

In het Romeinse rijk hadden christenen meer rechten dan gewone Romeinen

26.

Lees de tekst hieronder.

Vraag: welk begrip moet er op het stippellijntje staan?


.................... begon voornamelijk bij de bovenste lagen van de bevolking omdat zij het meeste in contact kwamen met de Romeinen. Vaak was het geen volledige overname van de Romeinse cultuur. De Germanen bleven sommige kenmerken uit hun eigen cultuur houden.

a)

Christendom

b)

Romanisering

c)

Bondgenootschap

d)

Wetenschap

27.

Welke zinnen zijn juist?


De Romeinen verbieden het christendom omdat?


1. Christenen weigeren de keizer als god te vereren.

2. Christenen vinden dat slaven in opstand moeten komen tegen de keizer.

3. Het christendom te veel aanhangers krijgt.

4. In het christendom iedereen gelijk is.

a)

Zin 1 is onjuist, 2 is juist, 3 is juist en 4 is juist

b)

Zin 1 is onjuist, 2 is juist, 3 is onjuist en 4 is juist

c)

Zin 1 is juist, 2 is onjuist, 3 is juist en 4 is onjuist

d)

Zin 1 is juist, 2 is juist, 3 is onjuist en 4 is onjuist.