wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

formatieve toets gramm zd HA1

Total questions: 15

Worksheet time: 4hrs 45mins

Name
Class
Date
1.

Welke verdeling in zinsdelen is juist?

a)

In dit winkelcentrum / zal / de stadswacht ’s avonds / mensen mogen fouilleren.

b)

In dit winkelcentrum / zal / de stadswacht ’s avonds / mensen / mogen fouilleren.

c)

In dit winkelcentrum / zal / de stadswacht / ’s avonds mensen / mogen fouilleren.

d)

In dit winkelcentrum / zal / de stadswacht / ’s avonds / mensen / mogen fouilleren.

2.

Welke verdeling in zinsdelen is juist?

a)

Deze kok uit Finland / maakt / de lekkerste nasi / klaar / op een ouderwets kooktoestel.

b)

Deze kok uit Finland / maakt / de lekkerste nasi / klaar / op een ouderwets / kooktoestel.

c)

Deze kok / uit Finland / maakt / de lekkerste nasi klaar / op een ouderwets kooktoestel.

d)

Deze kok / uit Finland / maakt / de lekkerste nasi klaar / op een ouderwets / kooktoestel.

3.

Welke verdeling in zinsdelen is juist?

a)

Op de zijmuur / moesten / we van de schoonheidscommissie graffiti / laten verwijderen.

b)

Op de zijmuur / moesten / we / van de schoonheidscommissie graffiti / laten verwijderen.

c)

Op de zijmuur / moesten / we / van de schoonheidscommissie / graffiti / laten verwijderen.

d)

Op de zijmuur / moesten / we / van de schoonheidscommissie / graffiti laten verwijderen.

4.

In welke zin is het onderwerp onderstreept?

a)

De commissaris hoopte natuurlijk op meer opgeloste misdrijven.

b)

Voor de aardigheid heeft de slager het kind een plakje worst gegeven.

c)

Zonder deze handige reisgids vol suggesties had ik tijdens mijn wereldreis veel minder meegemaakt.

d)

Zou deze beroemde kunstenaar ooit zijn prachtige schilderijen verkopen?

5.

In welke zin is het onderwerp onderstreept?

a)

In vroeger tijden heeft men werkelijk slaven als koopwaar verkocht.

b)

Op Wimbledon mogen de Britten ieder jaar een geweldig tennistoernooi organiseren.

c)

Suiker in de erwtensoep moet voor soepliefhebbers bijzonder smerig zijn.

d)

Zou die collega van ons kunnen smashen met een houten tennisracket?

6.

Welke bewering is waar?

a)

Het werkwoordelijk gezegde zegt wat het onderwerp doet.

b)

Naast de persoonsvorm kan het werkwoordelijk gezegde maximaal één ander werkwoord bevatten.

7.

Welke uitspraak over het lijdend voorwerp is niet waar?

a)

Het lijdend voorwerp begint nooit met een voorzetsel.

b)

Het lijdend voorwerp kun je vervangen door ‘iedereen’.

c)

Het lijdend voorwerp van een zin kun je vinden met de vraag ‘Wat (of Wie) + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?’.

8.

Wat is het onderwerp van de zin: Dat boek zou ik het liefst willen lezen?

(a)  

9.

Wat is het lijdend voorwerp van de zin: Wanneer stuur je je oma een vakantiekaartje?

(a)  

10.

Wat is het lijdend voorwerp van de zin: Op de bonte avond van het schoolkamp voerde Wilco een nummer van Marco Borsato uit.

(a)  

11.

Welke vraag stel je om het meewerkend voorwerp te vinden?

a)

Aan/Voor wie + persoonsvorm + onderwerp?

b)

Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + lijdend voorwerp?

c)

Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?

d)

Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

12.

Wat is het meewerkend voorwerp van de zin: Wie van jullie wil het nieuws straks aan de buurman vertellen?

(a)  

13.

Wat is het meewerkend voorwerp van de zin: Aan de waterkant heeft Koert zijn vriendin de liefde verklaard.

(a)  

14.

Noteer het werkwoordelijk gezegde van de zin: Naar welk eiland werd Napoleon na zijn nederlaag verbannen?


Let op: als het werkwoordelijk gezegde uit meerdere werkwoorden bestaat, zet je tussen de werkwoorden een spatie.

(a)  

15.

Noteer de bijwoordelijke bepalingen uit de zin: Waarom loopt die stoet straks door de stad.


Let op: Zijn er meerdere bwb's zet dan een komma tussen de antwoorden

(a)