wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

het jonge kind

Total questions: 44

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Hoe heet de vrucht vanaf de eerste celdelingen?

(a)  

2.

Hoeveel is het gemiddelde geboortegewicht

a)

3 kg

b)

3.5 kg

c)

4 kg

3.

Hoe groot is de gemiddelde boorling?

a)

50 cm

b)

52 cm

c)

54 cm

4.

Hoe is de verhouding van het hoofd van een pasgeborene ten opzicht van zijn lichaam?

(a)  

5.

Hoe slaapt een pasgeboren baby? helemaal opgerold en beentjes tegen buik, hoe heet dit?

(a)  

6.

Vanaf wanneer kan een baby hoofdje zelf optillen?

a)

1 maand

b)

1.5 maand

c)

2 maand

7.

Vanaf wanneer kan een baby rollen van buik naar rug?

a)

5 maand

b)

6 maand

c)

7 maand

8.

Vanaf wanneer kan een baby zitten zonder steun?

a)

6 maand

b)

7 maand

c)

8 maand

9.

Vanaf de geboorte kan een baby al enkele zaken. Bijvoorbeeld iets vastgrijpen. Hoe heet dit?

(a)  

10.

Wanneer gaat een baby gebaren nadoen?

a)

8 maand

b)

9 maand

c)

10 maand

11.

Hoe heet de greep waarbij een baby een voorwerp tussen wijsvinger en duim vastpakt?

(a)  

12.

De sensorische ontwikkeling gaat over zintuigen. Noteer de 5 zintuigen

(a)  

13.

Kan een baby licht en donker onderscheiden in de baarmoeder?

a)

ja

b)

nee

14.

Tot welke afstand kan een baby zien bij de geboorte?

a)

5 cm

b)

10 cm

c)

15 cm

d)

20 cm

15.

vanaf wanneer heeft een baby volledig zicht?

(a)  

16.

Het horen is al volledig ontwikkeld bij de geboorte

a)

ja

b)

nee

17.

Baby's herkennen geluiden uit de baarmoeder niet

a)

juist

b)

fout

18.

Voor welke smaken heeft een baby de voorkeur?

(a)  

19.

Hoeveel keer moet je iets proeven voor je kan beslissen of je het lust?

a)

3

b)

5

c)

10

20.

Het reukorgaan van een baby werkt pas op latere leeftijd

a)

ja

b)

nee, is er al bij de geboorte

21.

Voorwerpen grijpen en naar de mond brengen is (a)  

22.

Rond welke leeftijd is een kind klaar om te starten met zindelijkheid?

a)

18 maand

b)

2 jaar

c)

2.5 jaar

23.

Welke 3 voorwaarden zijn noodzakelijk vooraleer je kan starten met zindelijkheidstraining?

(a)  

24.

Rond 8 maanden leren baby's verbanden leggen. Dit kan op verschillende manier. voorbeeld: Cas gooit zijn lepel telkens van tafel. Welke manier is dit?

a)

imitatie

b)

proberen

c)

gevolgen ervaren

d)

inzicht toepassen

25.

Rond 8 maanden leren baby's verbanden leggen. Dit kan op verschillende manier. voorbeeld: Mila doet het kushandje van haar zus na. Welke manier is dit?

a)

imitatie

b)

proberen

c)

gevolgen ervaren

d)

inzicht toepassen

26.

Rond 8 maanden leren baby's verbanden leggen. Dit kan op verschillende manier. voorbeeld: Ella drukt op de bal omdat ze weet dat deze dan muziek zal maken. Welke manier is dit?

a)

imitatie

b)

proberen

c)

gevolgen ervaren

d)

inzicht toepassen

27.

Vanaf ongeveer 9 maanden kan een baby een beeld in zijn geheugen vasthouden zonder het te zien. Hoe heet dit?

(a)  

28.

Een peuter heeft verschillende denkpatronen. Voorbeeld: Ella ziet haar knuffel niet meer en begint te huilen. Welk denkpatroon is dit?

a)

denken in het hier en nu

b)

egocentrisme

c)

animistisch denken

d)

magisch denken

e)

voorwerpen sorteren

29.

Een peuter heeft verschillende denkpatronen. Voorbeeld: Cas legt al zijn auto's bij elkaar. Welk denkpatroon is dit?

a)

denken in het hier en nu

b)

egocentrisme

c)

animistisch denken

d)

magisch denken

e)

voorwerpen sorteren

30.

Een peuter heeft verschillende denkpatronen. Voorbeeld: Billie slaat op zijn tablet en moet deze afgeven. Welk denkpatroon is dit?

a)

denken in het hier en nu

b)

egocentrisme

c)

animistisch denken

d)

magisch denken

e)

oorzaak en gevolg

31.

Een peuter heeft verschillende denkpatronen. Voorbeeld: Lio durft geen kaka doen op het potje omdat ze denkt dat ze dan een stukje van zichzelf verliest. Welk denkpatroon is dit?

a)

denken in het hier en nu

b)

egocentrisme

c)

animistisch denken

d)

magisch denken

e)

oorzaak en gevolg

32.

Een peuter heeft verschillende denkpatronen. Voorbeeld: Vic deelt zijn fles met zijn knuffel. Welk denkpatroon is dit?

a)

denken in het hier en nu

b)

egocentrisme

c)

animistisch denken

d)

magisch denken

e)

oorzaak en gevolg

33.

Een peuter heeft verschillende denkpatronen. Voorbeeld: Nona toont een tekening terwijl ze belt met haar mama. Welk denkpatroon is dit?

a)

denken in het hier en nu

b)

egocentrisme

c)

animistisch denken

d)

magisch denken

e)

oorzaak en gevolg

34.

Hoe heet geluid dat een baby maakt rond de 6-8 weken. langgerekte klinkers zoals aaaaa

(a)  

35.

Hoe heet de verhalen die éénjarige vertellen en volledig onbegrijpbaar zijn?

(a)  

36.

woorden zelf uitvinden zijn (a)  

37.

Vanaf welke leeftijd gebruikt een baby éénwoordzinnen? (door middel van intonatie en 1 woord probeert de peuter zich uit te drukken)

a)

1 - 1.5 jaar

b)

1.5- 2 jaar

38.

Hoe heet de emotionele band tussen baby en zijn verzorgers?

(a)  

39.

Kind dat angstig reageert bij vreemden heeft...

(a)  

40.

vanaf de peuterleeftijd ontstaan er heel wat angsten. voorbeeld: bang in een nieuwe kamer. Van welke angst is er hier sprake?

a)

angst voor vreemden

b)

angst voor vernietiging

c)

angst voor afzondering

d)

angst voor verandering

e)

andere angsten

41.

vanaf de peuterleeftijd ontstaan er heel wat angsten. voorbeeld: Er is een nieuwe verzorgster in het KDV en Miel is bang . Van welke angst is er hier sprake?

a)

angst voor vreemden

b)

angst voor vernietiging

c)

angst voor afzondering

d)

angst voor verandering

e)

andere angsten

42.

vanaf de peuterleeftijd ontstaan er heel wat angsten. voorbeeld: Milou begint heel hard te huilen als ze alleen in de badkamer is. Van welke angst is er hier sprake?

a)

angst voor vreemden

b)

angst voor vernietiging

c)

angst voor afzondering

d)

angst voor verandering

e)

andere angsten

43.

vanaf de peuterleeftijd ontstaan er heel wat angsten. voorbeeld: Lilou is bang dat ze zal verdwijnen in de stofzuiger. Van welke angst is er hier sprake?

a)

angst voor vreemden

b)

angst voor vernietiging

c)

angst voor afzondering

d)

angst voor verandering

e)

andere angsten

44.

Hoe heeft de kwaadheid bij een peuter die iets niet mag en heel boos is?

(a)