wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Formatieve toets spelling vwo hoofdstuk 1 t/m 6

Total questions: 48

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Welke namen schrijf je met een hoofdletter?

a)

A landen

b)

B maanden

c)

C rivieren

d)

D seizoenen

e)

E windstreken

2.

Welke zin is goed geschreven?

a)

Mijn neef woont sinds april in de lavendelstraat in goes.

b)

Mijn neef woont sinds April in de Lavendelstraat in Goes.

c)

Mijn neef woont sinds April in de Lavendelstraat in goes.

d)

Mijn neef woont sinds april in de Lavendelstraat in Goes.

3.

Wat is het verkleinwoord van buggy?

a)

buggytje

b)

buggy'tje

c)

buggietje

4.

Wat is het verkleinwoord van café?

a)

caféetje

b)

café'tje

c)

cafeetje

d)

café-tje

5.

Wat is het verkleinwoord van ketting?

a)

kettinkje

b)

kettingkje

c)

kettingetje

6.

Wat is het meervoud van fee?

a)

fee-en

b)

fëeen

c)

feeën

d)

feën

7.

Wat is het meervoud van porie?

a)

poriën

b)

porieën

c)

pories

8.

Wat is het meervoud van ree?

a)

reën

b)

reeën

c)

ree-en

d)

reeen

9.

Wat is het meervoud van genie?

a)

geniën

b)

genies

c)

genieën

10.

Wat is het meervoud van kloof?

a)

klofen

b)

kloofen

c)

kloven

d)

klooven

11.

Wat is het meervoud van laars?

a)

laarsen

b)

laarzen

12.

Wat is het meervoud van ski?

a)

skies

b)

skis

c)

ski's

13.

Wat is het meervoud van jockey?

a)

jockeys

b)

jockey's

c)

jockeyen

14.

Waarom schrijf je bureaus met een vaste s?

a)

Na een klinker (a,o,u,i) schrijf je een vaste -s

b)

Na twee of drie samenklinkende klinkers schrijf je een vaste -s

c)

Bureaus schrijf je niet zo, je schrijft namelijk bureau's

15.

Welke vorm van het bijvoeglijk naamwoord moet in deze zin staan?

Het bijgerecht bestond uit [paars] wortelen.

a)

paars

b)

paarsen

c)

paarse

16.

Welke vorm van het bijvoeglijk naamwoord moet in deze zin staan?

Deze [zilver] ketting is goedkoper dan die [duur] [goud] armband.

a)

zilveren - dure - gouden

b)

zilver - dure - gouden

c)

zilver - duur - gouden

d)

zilveren - dure - goud

17.

In welke zin zijn de leestekens en hoofdletters juist geplaatst?

a)

Heb jij vandaag je boeken wel bij je, vroeg de docent Duits aan Menno.

b)

"Heb jij vandaag je boeken wel bij je"? ,vroeg de docent Duits aan Menno.

c)

"Heb jij vandaag je boeken wel bij je?" ,vroeg de docent Duits aan Menno.

18.

Zet de zin om in de indirecte rede.

"Heb jij vandaag je boeken wel bij je?" ,vroeg de docent Duits aan Menno.

a)

De docent Duits vroeg aan Menno "Of hij zijn boeken wel bij heeft vandaag?"

b)

De docent Duits vroeg aan Menno of hij zijn boeken wel bij heeft vandaag.

19.

Zet de zin om in de directe rede.

Julie vraagt of Yanna morgen mee zwemmen gaat.

a)

Julie vraagt "Ga je morgen mee zwemmen?"

b)

Julie vraagt "Ga je morgen mee zwemmen"?

c)

Julie vraagt: "Ga je morgen mee zwemmen"?

d)

Julie vraagt: "Ga je morgen mee zwemmen?"

20.

Kies de juiste vorm van het werkwoord.

Juna en Tom [verwaarlozen] hun tuin.

a)

verwaarlozen

b)

verwaarloosd

c)

verwaarloost

d)

verwaarloosdt

21.

Kies de juiste vorm van het werkwoord.

Julia [sprayen - v.t.] gisteren de planten nat.

a)

sprayden

b)

sprayde

c)

sprayte

d)

sprayten

22.

Hij heeft haar gisteren [meevragen].

a)

meegevraagt

b)

meegevraagdt

c)

meegevraagd

23.

Indirecte of directe rede?

Leo vroeg mij waarom ik niet had gebeld.

a)

Indirecte rede

b)

Directe rede

24.

Indirecte of directe rede?

Ik antwoordde: 'Dat was ik vergeten.'

a)

Indirecte rede

b)

Directe rede

25.

'Ga je vanavond mee?' ,vroeg ik aan Inge.

a)

Indirecte rede

b)

Directe rede

26.

Inge zei dat ze vanavond nog moest werken.

a)

Indirecte rede

b)

Directe rede

27.

'Maar een andere keer graag' , voegde ze er aan toe.

a)

Indirecte rede

b)

Directe rede

28.

Directe of indirecte rede?

Jan vond dat hij het huiswerk niet hoefde te maken.

a)

Directe rede

b)

Indirecte rede

29.

'Zal ik je naar huis brengen?', vroeg hij verlegen.

a)

Directe rede

b)

Indirecte rede

30.

Hij vroeg verlegen of hij haar naar huis mocht brengen.

a)

Directe rede

b)

Indirecte rede

31.

Toen zei ze tegen me: 'Ik wil je nooit meer zien.'

a)

Directe rede

b)

Indirecte rede

32.

Toen zei ze tegen me dat ze me nooit meer wilde zien.

a)

Directe rede

b)

Indirecte rede

33.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Je broer (vermijden) ........... eten.

a)

vermijd

b)

vermeed

c)

vermijt

d)

vermijdt

34.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Het (gebeuren) .......... zelden dat jij je mond houdt.

a)

gebeurd

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

d)

gebeurde

35.

Vul de persoonsvorm verleden tijd in.

De smaak (verrassen) ..... me heel erg.

a)

verraste

b)

verraste

c)

verrastte

d)

verrasste

36.

Vul het juiste voltooid deelwoord in.

Wij zijn (verhuizen) .... naar Amsterdam.

a)

verhuist

b)

verhuisd

c)

verhuizt

d)

verhuizd

37.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Zijn baas (communiceren) ......... niet erg duidelijk.

a)

communiceerd

b)

communiceerdt

c)

communiceert

d)

communiceertt

38.

Vul het juiste bijvoeglijke naamwoord (BN) in.

Er hingen ook (uitvergroten) .......... foto's.

a)

uitvergrote

b)

uitvergrootte

c)

uitvergrotte

d)

uitvergroote

39.
Vul de juiste vorm in. Hij (gamen) ..... de hele dag door.
a)
gamt
b)
gamet
c)
gamed
d)
gammet
40.
De ... (begroten) kosten klopten niet.
a)
begrootte
b)
begroten
c)
begrote
d)
begroote
41.
... (vermoeden) je zus dat er iets aan de hand is?
a)
vermoed
b)
vermoedt
42.
Het ... (verbranden) huis was helemaal vernietigd.
a)
verbrande
b)
verbrandde
c)
verbranden
d)
verbrandte
43.

Wat is correct?

a)

Word jij voor die rol gevraagd?

b)

Wordt jij voor die rol gevraagd?

44.

Wat is correct?

a)

Word je zus later stewardess?

b)

Wordt je zus later stewardess?

45.

In welke tijd staat de zin?

Aan wie had zij al die mooie barbiepoppen ook alweer gegeven?

a)

OVT (onvoltooid verleden tijd)

b)

VVT (voltooid verleden tijd)

c)

OTT (onvoltooid tegenwoordige tijd)

d)

VTT (voltooid tegenwoordige tijd)

46.

In welke tijd staat de zin?

De club heeft de hockeysters een clinic met oud-hockeyspeelster Naomi van As aangeboden.

a)

OVT (onvoltooid verleden tijd)

b)

VVT (voltooid verleden tijd)

c)

OTT (onvoltooid tegenwoordige tijd)

d)

VTT (voltooid tegenwoordige tijd)

47.

In welke tijd staat de zin?

De minister reikt de vredesmedailles aan de soldaten uit.

a)

OVT (onvoltooid verleden tijd)

b)

VVT (voltooid verleden tijd)

c)

OTT (onvoltooid tegenwoordige tijd)

d)

VTT (voltooid tegenwoordige tijd)

48.

In welke tijd staat de zin?

De kok at met alle wandelaars een flink bord macaroni.

a)

OVT (onvoltooid verleden tijd)

b)

VVT (voltooid verleden tijd)

c)

OTT (onvoltooid tegenwoordige tijd)

d)

VTT (voltooid tegenwoordige tijd)