Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Pluriforme samenleving

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Cultuur

a)

waarden en normen en andere aangeleerde kenmerken van een groep.

b)

waarden en normen en andere aangeleerde kenmerken van een groep.

2.

Dominante cultuur

a)

de cultuur van de meerderheid van de mensen in een samenleving.

b)

de cultuur van de meerderheid van de mensen in een samenleving.

3.

Subcultuur

a)

een groep mensen met waarden, normen en andere cultuurkenmerken die afwijken van de dominante cultuur.

b)

een groep mensen met waarden, normen en andere cultuurkenmerken die afwijken van de dominante cultuur.

4.

Sociale controle

a)

dat mensen letten op wat andere mensen doen.

b)

dat mensen letten op wat andere mensen doen.

5.

Mensen met een migratie-achtergrond:

a)

iemand die zelf of van wie één van zijn ouders in het buitenland is geboren.

b)

: iemand die zelf of van wie één van zijn ouders in het buitenland is geboren.

6.

Pluriforme samenleving

a)

een samenleving van mensen met verschillende culturen en leefstijlen.

b)

een samenleving van mensen met verschillende culturen en leefstijlen.

7.

Socialisatie

a)

het aanleren van de cultuurkenmerken van een samenleving of groep.

b)

het aanleren van de cultuurkenmerken van een samenleving of groep.

8.

Socialiserende instituties:

a)

personen en instellingen/ plaatsen waar de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt, zoals ouders, school, werk, vrienden en via de media.

b)

personen en instellingen waar de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt, zoals ouders, school, werk, vrienden en via de media.

9.

Internalisatie

a)

aangeleerde gewoonten, opvattingen, normen en waarden zijn een automatisch deel van je gedrag geworden.

b)

aangeleerde gewoonten, opvattingen, normen en waarden zijn een automatisch deel van je gedrag geworden.

10.

Identificatie

a)

je wilt op iemand lijken en je neemt het gedrag van die persoon over.

b)

je wilt op iemand lijken en je neemt het gedrag van die persoon over.

11.

Persoonlijke identiteit

a)

de dingen die je hebt geleerd, de dingen die je bewust of onbewust hebt overgenomen, je ervaringen en je aangeboren eigenschappen: wie jij bent.

b)

de dingen die je hebt geleerd, de dingen die je bewust of onbewust hebt overgenomen, je ervaringen en je aangeboren eigenschappen: wie jij bent.

12.

Groepsidentiteit

a)

de kernmerken en gewoonten die je hebt omdat je bij een bepaalde groep hoort.

b)

de kernmerken en gewoonten die je hebt omdat je bij een bepaalde groep hoort.

13.

Uitsluiting

a)

je mag niet bij de groep horen

b)

je mag niet bij de groep horen

14.

Culturele diversiteit

a)

het bestaan van grote culturele verschillen binnen een land.

b)

het bestaan van grote culturele verschillen binnen een land.

15.

Gelijkheidsbeginsel

a)

iedereen is voor de wet gelijk: het is verboden om anderen te discrimineren vanwege huidskleur, geloof, levensovertuiging, sekse, politieke mening of om welke reden dan ook.

b)

iedereen is voor de wet gelijk: het is verboden om anderen te discrimineren vanwege huidskleur, geloof, levensovertuiging, sekse, politieke mening of om welke reden dan ook.

16.

Tolerantie

a)

je accepteert dat groepen mensen anders leven dan jij en dat zij andere opvattingen hebben.

b)

je accepteert dat groepen mensen anders leven dan jij en dat zij andere opvattingen hebben.

17.

Multiculturele of multi-etnische samenleving

a)

een samenleving waarin mensen met verschillende etnische achtergronden samen leven.

b)

een samenleving waarin mensen met verschillende etnische achtergronden samen leven.

18.

Collectivistisch

a)

een ‘wij-cultuur’, waarin de familie een hechte groep is die altijd voor elkaar opkomt.

b)

een ‘wij-cultuur’, waarin de familie een hechte groep is die altijd voor elkaar opkomt.

19.

Individualistisch

a)

een ‘ik-cultuur’, waarin persoonlijke vrijheid, succes, individuele prestaties en eigen verantwoordelijkheid belangrijk zijn.

b)

een ‘ik-cultuur’, waarin persoonlijke vrijheid, succes, individuele prestaties en eigen verantwoordelijkheid belangrijk zijn.

20.

Invalshoek

a)

de manier waarop je naar een probleem kijkt.

b)

de manier waarop je naar een probleem kijkt.