wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

T3 formatieve toets sociale zekerheid

Total questions: 20

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.
Wat gebeurde er in 1929?
a)
Beurskrach
b)
Sterke economische groei
c)
Koningin Wilhelmina treed af
2.
Wat is een steunuitkering?
a)
Uitkering voor mensen die werkeloos waren
b)
Uitkering voor mensen die ter weinig verdiende
c)
Uitkering voor mensen die ziek waren
3.
Wanneer had je recht op een steunuitkering?
a)
Als je werkloos was, tussen de 21 en 60, geen schulden had.
b)
Als je werkloos was, verder waren er geen voorwaarden.
4.
Deze man is de bekendste premier van voor 1940, wie is hij?
a)
Drees
b)
Colijn
c)
Lubbers
5.
Welk begrip past bij de volgende omschrijving: Project waaraan werklozen tegen een laag loon werkten en nuttig was voor de hele samenleving,...
a)
Werkprojecten
b)
Werkverschaffingsprojecten
c)
Arbeidcreatie
6.
Colijn is bekend van de aanpassingspolitiek, wat is dat?
a)
Beleid van de overheid om werk te scheppen, koste wat het kost.
b)
Beleid van de overheid om niet meer geld uit te geven dan er binnenkomt.
7.

De overgang naar een samenleving waarin de industrie een belangrijk middel van bestaan is.

a)

Sociale kwestie

b)

Industrialisatie

c)

Nachtwakersstaat

d)

Plan van de Arbeid

8.

Welke groep vond had dit standpunt?

Naast de overheid moet de kerk een duidelijke rol in de armenzorg blijven spelen.

a)

Katholieken en protestanten

b)

Liberalen

c)

Socialisten

d)

Extreem-rechts

9.

De socialisten deden in de jaren dertig een voorstel om de werkloosheid aan te pakken. Onder welke naam is dit voorstel bekend geworden?

a)

De Armenwet

b)

De pauselijke brief Rerum Novarum

c)

De sociale kwestie

d)

het Plan van de Arbeid

10.

Liberalen vinden dat..

a)

Iedereen voor zichzelf moet zorgen

b)

Iedereen een goed loon moet krijgen

c)

Iedereen gebonden moet worden aan de regels uit de bijbel

d)

Iedereen meer rekening moet houden met het milieu

11.

Rond 1850 was er alleen liefdadigheid (noem 2 antwoorden, doe het zo:

.........en........)

(a)  

12.

Als je arm was rond 1850 had je geen geluk, je was afhankelijk van liefdadigheid.

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

In deze jaren 30 kregen veel mensen steun van de staat. Je kon deze vorm van uitkering kwijtraken als je niet regelmatig een ......... ging halen.

a)

Kaart

b)

Sticker

c)

Muntje

d)

Stempel

14.

In de stad hadden de mensen het ... dan op het platteland

a)

Beter

b)

Slechter

c)

Even slecht

15.

De meeste rijken in ons land in de 19de eeuw waren aanhangers van het..

a)

Lberalisme

b)

Socialisme

c)

Confessionalisme

d)

Populisme

16.

Katholieken en protestanten behoren meestal tot de..

a)

Liberalen

b)

Socialisten

c)

Confessionelen

d)

Populisten

17.

Welke politieke stroming wil het verschil tussen arm en rijk verkleinen?

a)

Liberalen

b)

Katholieken

c)

Socialisten

d)

Protestanten

18.

Vul in: Een organisatie die opkomt voor de belangen van werknemers noem je een ..

(a)  

19.

Vul in: Het recht van alle burgers om bij verkiezingen te stemmen noem je (a)   kiesrecht

20.

Nachtwakersstaat: De overheid bemoeit zich niet met de economie. De overheid zorgt alleen voor (a)   en veiligheid.