WorksheetsHerhaling BS 4 en 5 Erfelijkheid
Total questions: 6
Worksheet time: 3mins
Name
Class
Date
1.
Hoe geef je in een kruisingsschema de ouders aan?
a)
F1
b)
F2
c)
O
d)
P
2.
Welke fenotypen hebben de F1 bij de kruising AA x aa?
a)
AA, Aa en aa
b)
Alleen Aa
c)
AA en aa
d)
Alleen AA
e)
Alleen aa
3.
Wat is de verhouding in genotype bij de kruising Aa x Aa?
a)
AA:Aa:aa = 1:2:1
b)
AA:Aa:aa = 3:1:0
c)
AA:Aa:aa = 2:1:1
d)
AA:Aa:aa = 1:1:2
e)
Er ontstaan alleen genotype Aa
4.
Bij de kruising tussen een labrador en een poedel, ontstaat een labradoodle.
a)
Juist
b)
Onjuist
5.
Met een stamboom kun je zien hoe bepaalde eigenschappen worden doorgegeven.
a)
Juist
b)
Onjuist
6.
Wat betekent het symbool linksonder in deze afbeelding? De twee cirkels die met elkaar verbonden zijn.
a)
Deze personen zijn nichtjes/neefjes van elkaar.
b)
Dit is een tweeling.
c)
Deze personen hebben een erfelijke aandoening.
d)
Deze personen zijn broers van elkaar.
100 %
