wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 3 - H12 Evolutie van de mens

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

De gibbon, orang-oetan, gorilla, chimpansee, bonobo en de mens zijn allemaal mensapen

a)

waar

b)

niet waar

2.

Wanneer zijn de eerste mensachtigen ongeveer ontstaan?

a)

1,5 miljoen jaar

b)

3,5 miljoen jaar

c)

7 miljoen jaar

d)

100,000 jaar geleden

3.

Wat is GEEN kenmerk van mensapen

a)

geen staart

b)

een opponeerbare duim

c)

rechtop lopen

d)

een opponeerbare grote teen

4.

Wie van deze 4 staat het verste af van de homo sapiens?

a)

australopithecus afarensis

b)

homo habilis

c)

homo erectus

d)

homo neanderthalensis

5.

Het lichaam van onze voorouders is veranderd door erfelijke variatie en natuurlijke selectie

a)

waar

b)

niet waar

6.

In welk opzicht was de homo erectus anders ten opzichte van zijn voorouders?

a)

het waren jagers

b)

ze werkten met werktuigen

c)

hun hersenen waren groter

d)

ze waren kleiner

7.

Waar komt de homo erectus oorspronkelijk vandaan?

a)

Europa

b)

Amerika

c)

Azië

d)

Afrika

8.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
9.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

10.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

11.

Een recessieve eigenschap schrijven we als:

a)

kleine letter

b)

hoofdletter

12.

een eigenschap opgeschreven als Dd

a)

homozygoot dominant

b)

homozygoot recessief

c)

heterozygoot

d)

heterozygoot dominant

13.

Een wipneus is dominant over rechte neus.

Een homozygote dominante moeder, en een homozygote recessieve vader krijgen een kindje

a)

dit kindje heeft een rechte neus

b)

dit kindje heeft een wipneus

c)

je weet niet wat dit kindje voor neus heeft

14.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

15.
Hoe heet een organisme die voor een bepaalde eigenschap identieke allelen heeft?
a)
Een bacterie
b)
Een recessief organisme
c)
Een homozygoot organisme
d)
Een heterozygoot organisme
16.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

17.

Een recessief allel komt tot uiting wanneer

a)

Hij samen met een dominant allel staat

b)

Hij homozygoot voorkomt

c)

Hij heterozygoot voorkomt

d)

hij komt nooit tot uiting

18.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot Dominant

b)

Heterozygoot Recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot Recessief

19.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
20.
Wie is de grondlegger van de evolutietheorie?
a)
Churchill
b)
Watson
c)
Crick
d)
Darwin
21.
Waarvan gaat de evolutietheorie uit?
a)
alleen van veranderingen in genotypen
b)
alleen van natuurlijke selectie
c)
alleen van het ontstaan van nieuwe soorten
d)
van veranderingen in genotypen, natuurlijke selectie en het ontstaan van nieuwe soorten
22.
Hoe noemen we het verschijnsel dat individuen met een betere aanpassing aan het milieu een grotere overlevingskans hebben?
a)
evolutie
b)
natuurlijke selectie
23.
Kijk naar de afbeelding. Je ziet een stamboom van een aantal soorten.
Met welke nummers zijn soorten aangegeven die uit soort 7 zijn ontstaan?
a)
5,4
b)
5, 4, 2
c)
5,4,3
d)
5,4
24.
Met welke soort zal soort 4 de meeste verwantschap vertonen?
a)
3
b)
5