wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal Blok 4 woordenschat groep 7

Total questions: 25

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Welke zinnen horen bij democratisch?

a)

De regering van een land bepaalt wat er gebeurt.

b)

Iedereen beslist mee.

c)

De koning, koningin, keizer van een land bepaalt alles alleen.

d)

De meeste stemmen gelden

2.

Wat betekent de verkiezing?

a)

Door te stemmen, wordt er iemand gekozen.

b)

De baas van het land kiest iemand uit.

c)

Iemand bepaalt zelf hij hij wordt gekozen.

d)

Door te vechten wordt er iemand gekozen.

3.

De inspraak

a)

Je mag alleen meepraten als je belangrijk bent.

b)

Je mag je mening geven maar er wordt niets mee gedaan.

c)

Je mag je mening geven als je de baas bent.

d)

Je mag je mening geven zodat je mee kunt beslissen.

4.

Wat betekent het woord rechtvaardig?

a)

De rechter bepaalt of het eerlijk gaat.

b)

Oneerlijk.

c)

Eerlijk en volgens de regels.

d)

Als de rechter vaardig is in zijn vak.

5.

Wat betekent de buitenkans.

a)

De lans dat het gaat regenen volgens buienradar.

b)

Dat je elke dag een kado/ cadeau krijgt! (Zie plaatje)

c)

De kans dat je naar buiten kunt omdat het mooi weer is.

d)

Een onverwacht voordeel.

6.

Wat betekent: De bloemetjes buiten zetten.

a)

Dat je flink feest gaat vieren.

b)

Dat het voorjaar wordt

c)

Dat je de bloemen en planten buiten zet omdat het gaat regenen.

d)

Dat je de bloemen die je hebt gekocht in potten gaat zetten.

7.

Wat betekent respect afdwingen.

a)

Mensen dwingen je leuk te vinden.

b)

Zorgen dat mensen je stoer vinden door de dingen die je doet.

c)

Mensen dwingen iets te doen dat ze niet willen.

d)

Zorgen dat mensen je goed vinden door de dingen die je doet.

8.

Wat is een tulband. (Meerdere antwoorden kunnen goed zijn.)

a)

Een muziekinstrument

b)

Een lap stof die je om je hoofd wikkelt als hoofddeksel.

c)

Een cake

d)

Een soort verband

9.

Wat is een keppeltje?

a)

Twee mensen die bij elkaar horen.

b)

Een rond kapje dat sommige joodse mannen op hun hoofd dragen.

c)

Een hoed met een brede rand die wordt gedragen door Mexicanen.

d)

Een plaats om te bidden.

10.

Aanwakkeren is......

a)

Ruzie maken.

b)

Het erger of heftiger maken.

c)

Kalmer maken.

d)

Wakker worden.

11.

Wat betekent het woord op de foto?

a)

Niet eerlijk.

b)

Het staat rechtop.

c)

Juist .

d)

Het klopt.

12.

Wat betekent: zich wenden tot....

a)

Je naar iemand toedraaien.

b)

Iets vragen of zeggen tegen iemand anders.

c)

De andere kant op kijken.

d)

Dat je aan iemand moest wennen.

13.

Pasklaar betekent:

(Kies 2 antwoorden)

a)

Dat iets goed past.

b)

Op maat gemaakt.

c)

Aangepast aan de situatie

d)

Dat het later pas klaar is.

14.

Je niet uit het veld laten slaan, betekent:

a)

Je raakt niet ontmoedigd.

b)

Je laat je niet uit slaan tijdens slagbal.

c)

Je zorgt dat je niet geraakt wordt tijdens trefbal.

d)

Je geeft snel op als het niet lukt.

15.

Oog hebben voor, betekent....

a)

Kijken naar iets....

b)

Aandacht hebben voor iets...

c)

Mooie ogen hebben

d)

Je ogen goed open houden

16.

Door het oog van de naald kruipen betekent....

a)

Dat je nog maar net aan het gevaar bent ontsnapt.

b)

Dat het mis ging.

c)

Dat je de draad zonder hulp door de naald kunt krijgen.

d)

Dat je een oogje op iemand hebt.

17.

Als bij toverslag, betekent:

a)

Dat je goed kunt toveren of goochelen.

b)

Zoals een tovenaar iets doet

c)

Plotseling

d)

Langzamerhand

18.

Suggereren....

a)

Voorzichtig iets uitleggen.

b)

Het wel weten maar niets zeggen.

c)

Doen alsof.

d)

Voorzichtig een voorstel doen.

19.

De plicht.

a)

Je wilt de opdracht doen.

b)

Je kunt de opdracht doen.

c)

Je moet de opdracht doen.

d)

Je mag zelf weten of je de opdracht gaat doen.

20.

Wat betekent het woord op het plaatje?

a)

Je kunt het er niet mee vergelijken.

b)

Je kunt het ermee vergelijken.

c)

Het is echt waar.

d)

Het moet wel echt waar zijn.

21.

Op het plaatje staat...

a)

een verdord weiland

b)

een moeras

c)

de prairie

d)

de jungle

22.

Wat is een rodeo?

a)
b)
c)
d)
23.

Wat is een mustang? Er zijn 2 plaatjes goed.

a)
b)
c)
d)
24.

Op welk plaatje zie je een page?

a)
b)
c)
d)
25.

Op welk plaatje zie je de minstreel?

a)
b)
c)
d)