WorksheetsEngels signaalwoorden
Total questions: 91
Worksheet time: 46mins
Name
Class
Date
1.
also
a)
ook
b)
feitelijk, in feite
c)
ofschoon
d)
ondanks
2.
and
a)
en
b)
bovendien
c)
hoewel
d)
in plaats van
3.
as well as
a)
evenals
b)
noch... noch...
c)
afgezien van
d)
desalniettemin
4.
besides
a)
trouwens
b)
niet alleen... maar ook
c)
maar
d)
nu
5.
both... and...
a)
zowel... als...
b)
één... een andere
c)
daarentegen
d)
natuurlijk
6.
even
a)
zelfs
b)
of
c)
natuurlijk
d)
enerzijds... .....anderzijds
7.
first
a)
eerste
b)
ook
c)
omgekeerd / vice versa
d)
in tegenstrijd daarmee
8.
second
a)
tweede
b)
bovendien
c)
ondanks
d)
eerder dan / in plaats van / liever
9.
third
a)
derde
b)
tenslotte / immers
c)
ofwel... of...
d)
toch
10.
furthermore
a)
bovendien
b)
zoals
c)
toch / desondanks
d)
zeker
11.
in addition
a)
toevoeging
b)
als gevolg van
c)
echter
d)
aan/van de andere kant
12.
indeed
a)
inderdaad
b)
omdat
c)
feitelijk / eigenlijk
d)
om eerlijk te zijn
13.
in fact
a)
feitelijk, in feite
b)
voor, gedurende
c)
ondanks
d)
waar
14.
moreover
a)
bovendien
b)
aangezien
c)
in plaats van
d)
terwijl
15.
neither... nor…
a)
noch... noch...
b)
toegegeven
c)
desalniettemin
d)
ondertussen
16.
not only... but also
a)
niet alleen... maar ook
b)
ofschoon
c)
nu
d)
nog steeds
17.
one... another
a)
één... een andere
b)
hoewel
c)
natuurlijk
d)
als / indien
18.
or
a)
of
b)
afgezien van
c)
enerzijds... .....anderzijds
d)
mits
19.
, too
a)
ook
b)
maar
c)
in tegenstrijd daarmee
d)
op voorwaarde dat
20.
what is more
a)
bovendien
b)
daarentegen
c)
eerder dan / in plaats van / liever
d)
tenzij
21.
after all
a)
tenslotte / immers
b)
natuurlijk
c)
toch
d)
voor
22.
as
a)
zoals
b)
omgekeerd / vice versa
c)
zeker
d)
vroeger
23.
as a result of
a)
als gevolg van
b)
ondanks
c)
aan/van de andere kant
d)
uiteindelijk
24.
because
a)
omdat
b)
ofwel... of...
c)
om eerlijk te zijn
d)
aanvankelijk
25.
for
a)
voor, gedurende
b)
toch / desondanks
c)
waar
d)
in het verleden
26.
since
a)
aangezien
b)
echter
c)
terwijl
d)
later
27.
admittedly
a)
toegegeven
b)
feitelijk / eigenlijk
c)
ondertussen
d)
nu
28.
although
a)
ofschoon
b)
ondanks
c)
nog steeds
d)
zodra
29.
though
a)
hoewel
b)
in plaats van
c)
als / indien
d)
er was eens...
30.
besides
a)
afgezien van
b)
desalniettemin
c)
mits
d)
tegenwoordig / vandaag de dag
31.
but
a)
maar
b)
nu
c)
op voorwaarde dat
d)
tegenwoordig
32.
by contrast
a)
daarentegen
b)
natuurlijk
c)
tenzij
d)
totdat
33.
certainly
a)
natuurlijk
b)
enerzijds... .....anderzijds
c)
voor
d)
ondertussen
34.
conversely
a)
omgekeerd / vice versa
b)
in tegenstrijd daarmee
c)
vroeger
d)
tenslotte
35.
despite
a)
ondanks
b)
eerder dan / in plaats van / liever
c)
uiteindelijk
d)
resulterend in
36.
either... or...
a)
ofwel... of...
b)
toch
c)
aanvankelijk
d)
bijgevolg
37.
even so
a)
toch / desondanks
b)
zeker
c)
in het verleden
d)
daarom / zodoende
38.
however
a)
echter
b)
aan/van de andere kant
c)
later
d)
kortom
39.
in fact
a)
feitelijk / eigenlijk
b)
om eerlijk te zijn
c)
nu
d)
daarom / dus
40.
in spite of
a)
ondanks
b)
waar
c)
zodra
d)
dat is waarom / daarom
41.
instead of
a)
in plaats van
b)
terwijl
c)
er was eens...
d)
daarom
42.
nevertheless
a)
desalniettemin
b)
ondertussen
c)
tegenwoordig / vandaag de dag
d)
zo / op die manier / samenvattend
43.
now
a)
nu
b)
nog steeds
c)
tegenwoordig
d)
alsof
44.
of course,
a)
natuurlijk
b)
als / indien
c)
totdat
d)
evenzeer / evenzo
45.
on the one hand... on the other
a)
enerzijds... .....anderzijds
b)
mits
c)
ondertussen
d)
op dezelfde manier
46.
paradoxically
a)
in tegenstrijd daarmee
b)
op voorwaarde dat
c)
tenslotte
d)
op de zelfde manier
47.
rather
a)
eerder dan / in plaats van / liever
b)
tenzij
c)
resulterend in
d)
bijvoorbeeld
48.
still
a)
toch
b)
voor
c)
bijgevolg
d)
bijvoorbeeld
49.
sure
a)
zeker
b)
vroeger
c)
daarom / zodoende
d)
zoals
50.
then again
a)
aan/van de andere kant
b)
uiteindelijk
c)
kortom
d)
tenminste / in elk geval
51.
to be fair
a)
om eerlijk te zijn
b)
aanvankelijk
c)
daarom / dus
d)
tegenwoordig
52.
true
a)
waar
b)
in het verleden
c)
dat is waarom / daarom
d)
bijvoorbeeld
53.
whereas
a)
terwijl
b)
later
c)
daarom
d)
ook
54.
meanwhile
a)
ondertussen
b)
nu
c)
zo / op die manier / samenvattend
d)
en
55.
yet
a)
nog steeds
b)
zodra
c)
alsof
d)
evenals
56.
if
a)
als / indien
b)
er was eens...
c)
evenzeer / evenzo
d)
trouwens
57.
provided
a)
mits
b)
tegenwoordig / vandaag de dag
c)
op dezelfde manier
d)
zowel... als...
58.
providing
a)
op voorwaarde dat
b)
tegenwoordig
c)
op de zelfde manier
d)
zelfs
59.
unless
a)
tenzij
b)
totdat
c)
bijvoorbeeld
d)
eerste
60.
before
a)
voor
b)
ondertussen
c)
bijvoorbeeld
d)
tweede
61.
earlier
a)
vroeger
b)
tenslotte
c)
zoals
d)
derde
62.
eventually
a)
uiteindelijk
b)
resulterend in
c)
tenminste / in elk geval
d)
bovendien
63.
initially
a)
aanvankelijk
b)
bijgevolg
c)
tegenwoordig
d)
toevoeging
64.
in the past
a)
in het verleden
b)
daarom / zodoende
c)
bijvoorbeeld
d)
inderdaad
65.
later
a)
later
b)
kortom
c)
ook
d)
feitelijk, in feite
66.
now
a)
nu
b)
daarom / dus
c)
en
d)
bovendien
67.
once
a)
zodra
b)
dat is waarom / daarom
c)
evenals
d)
noch... noch...
68.
once up on a time
a)
er was eens...
b)
daarom
c)
trouwens
d)
niet alleen... maar ook
69.
present / present-day nu /
a)
tegenwoordig / vandaag de dag
b)
zo / op die manier / samenvattend
c)
zowel... als...
d)
één... een andere
70.
today
a)
tegenwoordig
b)
alsof
c)
zelfs
d)
of
71.
until
a)
totdat
b)
evenzeer / evenzo
c)
eerste
d)
ook
72.
meanwhile
a)
ondertussen
b)
op dezelfde manier
c)
tweede
d)
bovendien
73.
after all
a)
tenslotte
b)
op de zelfde manier
c)
derde
d)
tenslotte / immers
74.
as a result
a)
resulterend in
b)
bijvoorbeeld
c)
bovendien
d)
zoals
75.
consequently
a)
bijgevolg
b)
bijvoorbeeld
c)
toevoeging
d)
als gevolg van
76.
hence
a)
daarom / zodoende
b)
zoals
c)
inderdaad
d)
omdat
77.
in short
a)
kortom
b)
tenminste / in elk geval
c)
feitelijk, in feite
d)
voor, gedurende
78.
so
a)
daarom / dus
b)
tegenwoordig
c)
bovendien
d)
aangezien
79.
that's why
a)
dat is waarom / daarom
b)
bijvoorbeeld
c)
noch... noch...
d)
toegegeven
80.
therefore
a)
daarom
b)
ook
c)
niet alleen... maar ook
d)
ofschoon
81.
thus
a)
zo / op die manier / samenvattend
b)
en
c)
één... een andere
d)
hoewel
82.
as if
a)
alsof
b)
evenals
c)
of
d)
afgezien van
83.
equally
a)
evenzeer / evenzo
b)
trouwens
c)
ook
d)
maar
84.
likewise
a)
op dezelfde manier
b)
zowel... als...
c)
bovendien
d)
daarentegen
85.
similarly
a)
op de zelfde manier
b)
zelfs
c)
tenslotte / immers
d)
natuurlijk
86.
for example
a)
bijvoorbeeld
b)
eerste
c)
zoals
d)
omgekeerd / vice versa
87.
for instance
a)
bijvoorbeeld
b)
tweede
c)
als gevolg van
d)
zeker
88.
such as
a)
zoals
b)
derde
c)
omdat
d)
aan/van de andere kant
89.
at least
a)
tenminste / in elk geval
b)
bovendien
c)
voor, gedurende
d)
om eerlijk te zijn
90.
nowadays
a)
tegenwoordig
b)
toevoeging
c)
aangezien
d)
waar
91.
e.g.
a)
bijvoorbeeld
b)
inderdaad
c)
toegegeven
d)
terwijl
100 %
