Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

StSt7 - vmbo-kgt - Chapter 2 - Compleet

Total questions: 120

Worksheet time: 3600secs

Name
Class
Date
1.
accident
a)
ongeluk
b)
onophoudelijk
c)
herinnering
d)
vergelijkbaar
2.
achievement
a)
prestatie
b)
humeurig
c)
rommel
d)
wastafel
3.
amount
a)
hoeveelheid
b)
eng
c)
boodschap
d)
op de een of andere manier
4.
ankle
a)
enkel
b)
krukken
c)
beweging
d)
pijnlijk
5.
appointment
a)
afspraak
b)
zuivelproducten
c)
verpleger, verpleegster
d)
keelpijn
6.
argument
a)
ruzie
b)
tandarts
c)
olie
d)
bron
7.
assignment
a)
opdracht
b)
dokter, arts
c)
verouderd
d)
hechtingen
8.
atmosphere
a)
sfeer
b)
noodgeval
c)
pijn
d)
buikpijn
9.
average
a)
gemiddelde
b)
zeker
c)
patiënt
d)
stressgevend
10.
beneath
a)
onder
b)
hoofdpijn
c)
kieskeurig
d)
opgezwollen
11.
black eye
a)
blauw oog
b)
gezondheid
c)
pleister, gips
d)
gelukkig
12.
body
a)
lichaam
b)
gezond
c)
druk
d)
opgeruimd
13.
breakfast
a)
ontbijt
b)
gezond
c)
helling
d)
toegeven
14.
building
a)
gebouw
b)
kruid
c)
snelle
d)
vermijden
15.
clever
a)
slim
b)
ziekenhuis
c)
rauw
d)
verward zijn
16.
constantly
a)
onophoudelijk
b)
ijskompres
c)
loopneus
d)
ziek zijn
17.
cranky
a)
humeurig
b)
blessure
c)
gevoelig
d)
buigen
18.
creepy
a)
eng
b)
in plaats van
c)
vergelijkbaar
d)
bloeden
19.
crutches
a)
krukken
b)
medicijn
c)
wastafel
d)
bloeden
20.
dairy products
a)
zuivelproducten
b)
herinnering
c)
op de een of andere manier
d)
in-/uitademen
21.
dentist
a)
tandarts
b)
rommel
c)
pijnlijk
d)
kneuzen
22.
doctor
a)
dokter, arts
b)
boodschap
c)
keelpijn
d)
stoten
23.
emergency
a)
noodgeval
b)
beweging
c)
bron
d)
(ver)branden
24.
for sure
a)
zeker
b)
verpleger, verpleegster
c)
hechtingen
d)
controleren
25.
headache
a)
hoofdpijn
b)
olie
c)
buikpijn
d)
hoesten
26.
health
a)
gezondheid
b)
verouderd
c)
stressgevend
d)
genezen
27.
healthy
a)
gezond
b)
pijn
c)
opgezwollen
d)
snijden
28.
healthy
a)
gezond
b)
patiënt
c)
gelukkig
d)
(ver)minderen
29.
herb
a)
kruid
b)
kieskeurig
c)
opgeruimd
d)
dromen
30.
hospital
a)
ziekenhuis
b)
pleister, gips
c)
toegeven
d)
onderzoeken
31.
ice pack
a)
ijskompres
b)
druk
c)
vermijden
d)
flauwvallen
32.
injury
a)
blessure
b)
helling
c)
verward zijn
d)
duizelig zijn
33.
instead of
a)
in plaats van
b)
snelle
c)
ziek zijn
d)
(zich) ellendig voelen
34.
medicine
a)
medicijn
b)
rauw
c)
buigen
d)
(zich) misselijk voelen
35.
memory
a)
herinnering
b)
loopneus
c)
bloeden
d)
(zich) slechter voelen
36.
mess
a)
rommel
b)
gevoelig
c)
bloeden
d)
smaak toevoegen
37.
message
a)
boodschap
b)
vergelijkbaar
c)
in-/uitademen
d)
beter worden
38.
movement
a)
beweging
b)
wastafel
c)
kneuzen
d)
volhouden
39.
nurse
a)
verpleger, verpleegster
b)
op de een of andere manier
c)
stoten
d)
verkouden zijn
40.
oil
a)
olie
b)
pijnlijk
c)
(ver)branden
d)
koorts hebben
41.
out-dated
a)
verouderd
b)
keelpijn
c)
controleren
d)
de griep hebben
42.
pain
a)
pijn
b)
bron
c)
hoesten
d)
herstellen, genezen
43.
patient
a)
patiënt
b)
hechtingen
c)
genezen
d)
pijn doen
44.
picky
a)
kieskeurig
b)
buikpijn
c)
snijden
d)
verbeteren
45.
plaster
a)
pleister, gips
b)
stressgevend
c)
(ver)minderen
d)
aandringen
46.
pressure
a)
druk
b)
opgezwollen
c)
dromen
d)
er bleek/pips uitzien
47.
ramp
a)
helling
b)
gelukkig
c)
onderzoeken
d)
bewegen
48.
rapid
a)
snelle
b)
opgeruimd
c)
flauwvallen
d)
inschenken
49.
raw
a)
rauw
b)
toegeven
c)
duizelig zijn
d)
herstellen, er bovenop komen
50.
runny nose
a)
loopneus
b)
vermijden
c)
(zich) ellendig voelen
d)
registreren
51.
sensitive
a)
gevoelig
b)
verward zijn
c)
(zich) misselijk voelen
d)
spijten
52.
similar
a)
vergelijkbaar
b)
ziek zijn
c)
(zich) slechter voelen
d)
rusten
53.
sink
a)
wastafel
b)
buigen
c)
smaak toevoegen
d)
afspoelen
54.
somehow
a)
op de een of andere manier
b)
bloeden
c)
beter worden
d)
krabben
55.
sore
a)
pijnlijk
b)
bloeden
c)
volhouden
d)
(uit)glijden
56.
sore throat
a)
keelpijn
b)
in-/uitademen
c)
verkouden zijn
d)
vertragen
57.
source
a)
bron
b)
kneuzen
c)
koorts hebben
d)
spetteren
58.
stitches
a)
hechtingen
b)
stoten
c)
de griep hebben
d)
lijden aan
59.
stomach ache
a)
buikpijn
b)
(ver)branden
c)
herstellen, genezen
d)
zweten
60.
stressful
a)
stressgevend
b)
controleren
c)
pijn doen
d)
een pauze nemen
61.
swollen
a)
opgezwollen
b)
hoesten
c)
verbeteren
d)
het rustig aan doen
62.
thankfully
a)
gelukkig
b)
genezen
c)
aandringen
d)
overgeven
63.
tidy
a)
opgeruimd
b)
snijden
c)
er bleek/pips uitzien
d)
behandelen
64.
to admit
a)
toegeven
b)
(ver)minderen
c)
bewegen
d)
(zich) zorgen maken
65.
to avoid
a)
vermijden
b)
dromen
c)
inschenken
d)
kies-/tandpijn
66.
to be confused
a)
verward zijn
b)
onderzoeken
c)
herstellen, er bovenop komen
d)
lastig
67.
to be ill
a)
ziek zijn
b)
flauwvallen
c)
registreren
d)
wachtkamer
68.
to bend
a)
buigen
b)
duizelig zijn
c)
spijten
d)
wond
69.
to bleed
a)
bloeden
b)
(zich) ellendig voelen
c)
rusten
d)
röntgenfoto
70.
to bleed
a)
bloeden
b)
(zich) misselijk voelen
c)
afspoelen
d)
ongeluk
71.
to breathe in/out
a)
in-/uitademen
b)
(zich) slechter voelen
c)
krabben
d)
prestatie
72.
to bruise
a)
kneuzen
b)
smaak toevoegen
c)
(uit)glijden
d)
hoeveelheid
73.
to bump
a)
stoten
b)
beter worden
c)
vertragen
d)
enkel
74.
to burn
a)
(ver)branden
b)
volhouden
c)
spetteren
d)
afspraak
75.
to check
a)
controleren
b)
verkouden zijn
c)
lijden aan
d)
ruzie
76.
to cough
a)
hoesten
b)
koorts hebben
c)
zweten
d)
opdracht
77.
to cure
a)
genezen
b)
de griep hebben
c)
een pauze nemen
d)
sfeer
78.
to cut
a)
snijden
b)
herstellen, genezen
c)
het rustig aan doen
d)
gemiddelde
79.
to cut down on
a)
(ver)minderen
b)
pijn doen
c)
overgeven
d)
onder
80.
to dream
a)
dromen
b)
verbeteren
c)
behandelen
d)
blauw oog
81.
to examine
a)
onderzoeken
b)
aandringen
c)
(zich) zorgen maken
d)
lichaam
82.
to faint
a)
flauwvallen
b)
er bleek/pips uitzien
c)
kies-/tandpijn
d)
ontbijt
83.
to feel dizzy
a)
duizelig zijn
b)
bewegen
c)
lastig
d)
gebouw
84.
to feel miserable
a)
(zich) ellendig voelen
b)
inschenken
c)
wachtkamer
d)
slim
85.
to feel sick
a)
(zich) misselijk voelen
b)
herstellen, er bovenop komen
c)
wond
d)
onophoudelijk
86.
to feel worse
a)
(zich) slechter voelen
b)
registreren
c)
röntgenfoto
d)
humeurig
87.
to flavour
a)
smaak toevoegen
b)
spijten
c)
ongeluk
d)
eng
88.
to get better
a)
beter worden
b)
rusten
c)
prestatie
d)
krukken
89.
to hang in there
a)
volhouden
b)
afspoelen
c)
hoeveelheid
d)
zuivelproducten
90.
to have a cold
a)
verkouden zijn
b)
krabben
c)
enkel
d)
tandarts
91.
to have a fever
a)
koorts hebben
b)
(uit)glijden
c)
afspraak
d)
dokter, arts
92.
to have the flu
a)
de griep hebben
b)
vertragen
c)
ruzie
d)
noodgeval
93.
to heal
a)
herstellen, genezen
b)
spetteren
c)
opdracht
d)
zeker
94.
to hurt
a)
pijn doen
b)
lijden aan
c)
sfeer
d)
hoofdpijn
95.
to improve
a)
verbeteren
b)
zweten
c)
gemiddelde
d)
gezondheid
96.
to insist
a)
aandringen
b)
een pauze nemen
c)
onder
d)
gezond
97.
to look pale
a)
er bleek/pips uitzien
b)
het rustig aan doen
c)
blauw oog
d)
gezond
98.
to move
a)
bewegen
b)
overgeven
c)
lichaam
d)
kruid
99.
to pour
a)
inschenken
b)
behandelen
c)
ontbijt
d)
ziekenhuis
100.
to recover
a)
herstellen, er bovenop komen
b)
(zich) zorgen maken
c)
gebouw
d)
ijskompres
101.
to register
a)
registreren
b)
kies-/tandpijn
c)
slim
d)
blessure
102.
to regret
a)
spijten
b)
lastig
c)
onophoudelijk
d)
in plaats van
103.
to rest
a)
rusten
b)
wachtkamer
c)
humeurig
d)
medicijn
104.
to rinse
a)
afspoelen
b)
wond
c)
eng
d)
herinnering
105.
to scratch
a)
krabben
b)
röntgenfoto
c)
krukken
d)
rommel
106.
to slip
a)
(uit)glijden
b)
ongeluk
c)
zuivelproducten
d)
boodschap
107.
to slow down
a)
vertragen
b)
prestatie
c)
tandarts
d)
beweging
108.
to splash
a)
spetteren
b)
hoeveelheid
c)
dokter, arts
d)
verpleger, verpleegster
109.
to suffer from
a)
lijden aan
b)
enkel
c)
noodgeval
d)
olie
110.
to sweat
a)
zweten
b)
afspraak
c)
zeker
d)
verouderd
111.
to take a break
a)
een pauze nemen
b)
ruzie
c)
hoofdpijn
d)
pijn
112.
to take it easy
a)
het rustig aan doen
b)
opdracht
c)
gezondheid
d)
patiënt
113.
to throw up
a)
overgeven
b)
sfeer
c)
gezond
d)
kieskeurig
114.
to treat
a)
behandelen
b)
gemiddelde
c)
gezond
d)
pleister, gips
115.
to worry
a)
(zich) zorgen maken
b)
onder
c)
kruid
d)
druk
116.
toothache
a)
kies-/tandpijn
b)
blauw oog
c)
ziekenhuis
d)
helling
117.
tough
a)
lastig
b)
lichaam
c)
ijskompres
d)
snelle
118.
waiting room
a)
wachtkamer
b)
ontbijt
c)
blessure
d)
rauw
119.
wound
a)
wond
b)
gebouw
c)
in plaats van
d)
loopneus
120.
X-ray
a)
röntgenfoto
b)
slim
c)
medicijn
d)
gevoelig