wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

BioQuiz - thema 3 - bs 2 - 2/2

Total questions: 13

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Een zezel is een kruising tussen een zebra en een ezel. Een zezel is niet vruchtbaar.


Zijn een ezel en een zebra dezelfde soort?

a)

Ja, want ze kunnen nakomelingen krijgen.

b)

Nee, want ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen krijgen.

c)

Nee, want ze kunnen geen nakomelingen krijgen.

d)

Ja, want ze kunnen vruchtbare nakomelingen krijgen.

2.

Een ijsgrizzly is een kruising tussen een grizzlybeer en een ijsbeer. Een ijsgrizzly is vruchtbaar.


Zijn een grizzlybeer en een ijsbeer dezelfde soort?

a)

Ja, want ze kunnen nakomelingen krijgen.

b)

Nee, want ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen krijgen.

c)

Nee, want ze kunnen geen nakomelingen krijgen.

d)

Ja, want ze kunnen vruchtbare nakomelingen krijgen.

3.

Paarden en ezels kunnen samen nakomelingen krijgen. Het jong is dan een muildier of een muilezel . Deze dieren zijn bijna altijd onvruchtbaar.


Waarom kun je zeggen dat een paard en een ezel niet van dezelfde soort zijn?

a)

Omdat bijna alle nakomelingen vruchtbaar zijn.

b)

Omdat sommige nakomelingen vruchtbaar zijn.

c)

Omdat bijna alle nakomelingen onvruchtbaar zijn.

d)

Omdat sommige nakomelingen onvruchtbaar zijn.

4.

Paarden en ezels kunnen samen nakomelingen krijgen. Het jong is dan een muildier of een muilezel . Deze dieren zijn bijna altijd onvruchtbaar.


Waarom kun je zeggen dat een paard en een ezel wél van dezelfde soort zijn?

a)

Omdat bijna alle nakomelingen vruchtbaar zijn.

b)

Omdat sommige nakomelingen vruchtbaar zijn.

c)

Omdat bijna alle nakomelingen onvruchtbaar zijn.

d)

Omdat sommige nakomelingen onvruchtbaar zijn.

5.

Welke uitspraak of uitspraken is/zijn juist over de afbeelding?

a)

Deze honden behoren niet tot dezelfde soort.

b)

Deze honden behoren tot dezelfde soort.

c)

Deze honden behoren niet tot hetzelfde ras.

d)

Deze honden behoren tot hetzelfde ras.

6.

Wat stellen de groene bolletjes in het vertakkingsschema voor?

a)

Gemeenschappelijke voorouder

b)

Tussensoorten

c)

Tijdsindicatie

d)

Kruising van soorten waardoor er twee nieuwe ontstaan.

7.

Welke organimsen zijn meer aan elkaar verwant?

a)

Reptielen en amfibieën

b)

Reptielen en vogels

c)

Reptielen en vissen

d)

Reptielen en zoogdieren

8.

Welke organimsen zijn meer aan elkaar verwant?

a)

Zoogdieren en vissen

b)

Zoogdieren en reptielen

9.

Hoe langer geleden twee soorten zijn ontstaan uit een gemeenschappelijke voorouder, hoe minder verwant ze zijn.

a)

juist

b)

onjuist

10.

Hoe meer verwant soorten zijn, hoe minder overeenkomsten hun DNA vertoont.

a)

juist

b)

onjuist

11.

De voorouder van de giraf had een korte nek. Toch verschilde de lengte van de nek af en toe onder deze dieren. Het eten van de dieren (gras) raakte op. Gelukkig konden dieren met een lange nek boomblaadjes eten.


Welke variatie is er in de soort aanwezig?

a)

Variatie in eten: gras en boomblaadjes.

b)

Variatie in voorouders.

c)

Variatie in de lengte van de nekken.

12.

De voorouder van de giraf had een korte nek. Toch verschilde de lengte van de nek af en toe onder deze dieren. Het eten van de dieren (gras) raakte op. Gelukkig konden dieren met een lange nek boomblaadjes eten.


Welke selectie heeft voor de nieuwe soort (giraf) gezorgd?

a)

Boomblaadjes werden geselecteerd

b)

Gras werd geselecteerd

c)

Lange nek werd geselecteerd

d)

Korte nek werd geselecteerd

13.

Hoe wordt de ontwikkeling op aarde genoemd waarbij soorten ontstaan, veranderen en verdwijnen?

(a)