wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lijdend voorwerp

Total questions: 15

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Waar of niet waar?


De woordjes 'te' en 'aan het' kunnen soms deel uitmaken van het werkwoordelijk gezegde.

a)

waar

b)

niet waar

2.

Waar of niet waar?


Als het gezegde een werkwoordelijke uitdrukking is, kunnen ook zelfstandige naamwoorden deel uitmaken van het werkwoordelijk gezegde.

a)

waar

b)

niet waar

3.

Waar of niet waar?


Onvoltooide deelwoorden horen niet bij het werkwoordelijke gezegde.

a)

waar

b)

niet waar

4.

Waar of niet waar?


In elke zin staat een onderwerp.

a)

waar

b)

niet waar

5.

Waar of niet waar?


Een zin zonder persoonsvorm is geen echte zin.

a)

waar

b)

niet waar

6.

Waar of niet waar?


In het zinnetje 'Hij heeft de hele middag gelezen' is ‘de hele middag’ een lijdend voorwerp.

a)

waar

b)

niet waar

7.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?


Gisteren heeft hij spekpannenkoeken gegeten.

a)

gisteren

b)

hij

c)

spekpannenkoeken

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

8.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?


Waarom heeft niemand dat aan jou verteld?

a)

waarom

b)

niemand

c)

dat

d)

aan jou

9.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?


Die meisjes laat je gewoon met rust!

a)

die meisjes

b)

je

c)

gewoon met rust

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

10.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Wie van jouw klasgenoten zitten daar een kaartspel te spelen?

a)

wie

b)

wie van jouw klasgenoten

c)

een kaartspel

d)

een kaartspel te spelen

11.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Mijn neefje van zes wordt altijd door zijn oppas naar hockeytraining gebracht.

a)

mijn neefje van zes

b)

door zijn oppas

c)

naar hockeytraining

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

12.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Johan kijkt altijd eerst de kat uit de boom.

a)

Johan

b)

de kat

c)

de kat uit de boom

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

13.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Schrijf dat woord op!

a)

schrijf

b)

dat woord

c)

schrijf op

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

14.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Mijn oma en opa hebben voor volgende zomer een busreis naar Spanje geboekt.

a)

mijn opa en oma

b)

een busreis

c)

een busreis naar Spanje

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

15.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Welke boeken uit de mediatheek zou jij voor Nederlands willen lezen?

a)

welke boeken

b)

welke boeken uit de mediatheek

c)

jij

d)

Er is geen lijdend voorwerp.