wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verbranding vwo-6

Total questions: 20

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Hoeveel ATP levert de afbraak van 1 molecuul glucose?

a)

2 ATP

b)

4 ATP

c)

36 ATP

d)

38 ATP

2.

Wat is de rol van zuurstof in de aerobe verbranding?

a)

Het pompt H+ door het membraan

b)

Het is de electronenacceptor

c)

Het bindt ADP en Pi tot ATP

d)

Het is de electronenleverancier

3.

Bij de glycolyse ontstaat

a)

2 ATP netto

b)

2 ATP bruto

c)

4 ATP netto

d)

geen ATP

4.

De glycolyse vindt plaats...

a)

In de kern

b)

In het cytoplasma

c)

In de mitochondria

d)

In het endoplasmatisch reticulum

5.

Bij de decarboxylering onstaat per glucose molecuul

a)

1 CO2 en 1 NADH/H+

b)

2 CO2 en 2 NADH/H+

c)

1 CO2 en 2 NADH/H+

d)

2 CO2 en 1 NADH/H+

6.

Bij de citroenzuurcyclus ontstaat in totaal per glucose molecuul

a)

0 CO2

b)

2 CO2

c)

4 CO2

d)

6 CO2

7.

Bij de citroenzuurcyclus ontstaat per glucosemolecuul

a)

1 FADH2 en 1 GTP

b)

2 FADH2 en 2 GTP

c)

1 FADH2 en 2 GTP

d)

2 FADH2 en 1 GTP

8.

Bij de citroenzuurcyclus ontstaat per glucosemolecuul

a)

3 NADH/H+

b)

4 NADH/H+

c)

6 NADH/H+

d)

8 NADH/H+

9.

Hoe vaak kan per NADH/H+ molecuul een H+ tegen de richting in door het membraan worden gepompt?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

10.

Hoe vaak kan per FADH2 molecuul een H+ door het binnenmembraan worden gepompt?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

11.

Waar vindt de alcohol- en melkzuurgisting plaats?

a)

In de kern

b)

In het cytoplasma

c)

In de mitochondria

d)

In het endoplasmatisch reticulum

12.

Mitochondrien bevatten enzymen voor de omzetting van

a)

glucose in pyruvaat

b)

eiwitten in aminozuren

c)

een koolstofverbinding in ethanol of melkzuur (lactaat)

d)

een koolstofverbinding in koolstofxidoxide en waterstof

13.

Wat is de functie van het ontstaan van lactaat bij anaerobe verbranding?

a)

Het binden van zuurstof aan pyruvaat

b)

Het onttrekken van zuurstof aan pyruvaat

c)

Het onttrekken van waterstof aan een gedehyrogeneerde waterstofacceptor

14.

Chemisch gebonden energie heeft voor organismen een voordeel boven andere vormen van energie. Dit voordeel is dat alleen chemisch gebonden energie kan:

a)

ontstaan uit andere energievormen

b)

worden opgeslagen en getransporteerd

c)

worden omgezet in andere energievormen

d)

worden omgezet in en andere energievorm, zonder energieverlies voor het organisme

15.

Gisting levert per molecuul glucose minder energie op dan aerobe celademhaling doordat bij gisting:

a)

per molecuul glucose minder dehydrogenaties gebeuren

b)

geen waterstofacceptor beschikbaar is

c)

geen koolstofdioxide aan pyruvaat wordt onttrokken

d)

per molecuul glucose minder pyruvaat wordt gevormd

16.

Bepaalde gistcellen produceren ethanol. Welke stof fungeert als waterstofacceptor?

a)

Ethanal (acetylaldehyde)

b)

Pyruvaat

c)

Lactaat

d)

Acetyl-CoA

17.

Twee organismen verbruiken gedurende een bepaalde tijd eenzelfde hoeveelheid glucose; het ene door alcoholische gisting en het andere door aerobe ademhaling.


Hoe zullen de hoeveelheden vrijgekomen CO2 zich verhouden bij aerobe ademhaling tot de hoeveelheden vrijkomend CO2 bij alcoholische gisting?

a)

3:1

b)

6:1

c)

1:3

d)

1:6

18.

Een reageerbuis wordt gevuld met gistcellen in een glucoseoplossing. In deze buis ontstaan gemiddeld 4 moleculen CO2 per molecuul gedissimileerd glucose.


Kan in deze buis ethanol worden aangetroffen?

Kan in deze buis aerobe ademhaling zijn opgetreden?

a)

Ethanol: ja, ademhaling: ja

b)

Ethanol: ja, ademhaling: nee

c)

Ethanol: nee, ademhaling: ja

d)

Ethanol: nee, ademhaling: nee

19.

Bij de aerobe dissimilatie van een molecule glucose worden drie reactieketens onderscheiden:


1. de omzetting van glucose in pyruvaat

2. de decarboxylering van pyruvaat

3. de trapsgewijze overdracht van elektronen aan een acceptor


Bij welke van deze ketens ontstaat het meeste ATP en bij welke het minste?

a)

Meeste ATP = 2; minste ATP = 1

b)

Meeste ATP = 2; minste ATP = 3

c)

Meeste ATP = 3; minste ATP = 1

d)

Meeste ATP = 3; minste ATP = 2

20.

Welke stof treedt bij de mens in de spieren als waterstofacceptor (elektronenacceptor) bij de melkzuurgisting?

a)

Acetyl-CoA

b)

Ethanal

c)

Lactaat

d)

Pyruvaat