wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

OVT - testje

Total questions: 30

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Duid aan wat juist is (meerdere mogelijk)

a)

De VTT heeft 1 werkwoord

b)

De OVT gebruik je voor een verhaal

c)

De regelmatige OVT vorm je met stam + t of d

d)

De VTT gebruik je voor een actie

2.

Welke tijd gebruik je voor een emotie? (bv. zich ziek voelen, blij zijn, moe worden...)

a)

VTT

b)

OVT

3.

Duid de juiste antwoorden aan (meerdere mogelijk): De OVT gebruik je...

a)

bij een actie

b)

bij een situatie

4.

Modale werkwoorden (moeten, kunnen, willen...) in het verleden staan (bijna) altijd in de...

a)

OVT

b)

VTT

5.

Vul in met OVT:

Vorige week (zijn) ik ziek, ik (hebben) de griep.

a)

was, heb

b)

was, had

c)

waren, hadden

d)

geweest, gehad

e)

geweest, had

6.

Toen ik klein (...), (...) ik graag piano.

a)

geweest, was

b)

geweest, had

c)

was, had

d)

was, was

7.

Duid 1 of meerdere aan en klik op 'bevestigen'

Vroeger (gaan) ze vaak naar het zwembad. (OVT)

a)

gaande

b)

gegaan

c)

ging

d)

gingen

8.

Ik (schrijven) vroeger veel brieven, maar nu niet meer. (OVT)

a)

geschreven

b)

schrijfte

c)

schreef

9.

Wat is de OVT van 'zeggen' (hij)

a)

hij zegde

b)

hij zei

c)

hij zeide

d)

hij zegte

10.

Oei! (denken) jij dat het vandaag geen les (zijn)?

a)

Dacht, is

b)

Dacht, was

c)

Gedacht, was

d)

Gedacht, geweest

11.

Ik (haal) mijn kinderen op (OVT)

a)

hiel

b)

haalde

c)

gehaald

12.

Wat is de OVT van 'lopen' (ik)

a)

ik liep

b)

ik liepte

c)

ik loopte

d)

ik loopde

13.

Wat is de OVT van 'denken' (wij)

a)

dacht

b)

dachten

c)

denkten

d)

denkte

14.

Wat is de OVT van 'antwoorden' (jullie)

a)

antwoorden

b)

antwoordde

c)

antwoordden

d)

antwoordten

15.

Wat is de OVT van 'roepen' (ik)

a)

roepte

b)

roepde

c)

riep

d)

roop

16.

Wat is de OVT van 'spreken' (zij, enk)

a)

zij sprak

b)

zij spreekde

c)

zij spreekte

d)

zij sprook

17.

Wat is de OVT van 'vragen'?

a)

ik vroeg

b)

ik vraagde

c)

ik heb gevraad

18.

Wat is de OVT van 'weten?'

a)

hij weette

b)

hij wist

c)

hij heeft geweten

19.

Denk je dat je de OVT al goed kent?

a)

ja, heel goed!

b)

ik begin het te kennen

c)

nog niet zo goed

d)

ik begrijp er niets van!

20.

Geef de juiste vorm van de OVT:


Ik (willen)

(a)  

21.

Geef de juiste vorm:


jij (luisteren)

(a)  

22.

Geef de juiste vorm:


wij (zoeken)

(a)  

23.

Geef de juiste vorm:


hij (kiezen)

(a)  

24.

Geef de juiste vorm:


ik (werken)

(a)  

25.

Geef de juiste vorm:


jij (spelen)

(a)  

26.

Geef de juiste vorm:


jullie (antwoorden)

(a)  

27.

Geef de juiste vorm:


hij (weten)

(a)  

28.

Geef de juiste vorm:


wij (krijgen)

(a)  

29.

Schrijf een paar korte zinnen in de OVT met volgende werkwoorden in de ik-persoon:


opstaan, eten, drinken, lezen, naar buiten gaan

4 lines
30.

Heb je nog een vraag over de OVT?

a)

nee, alles is duidelijk

b)

ik moet gewoon meer oefenen

c)

ik begrijp het niet goed