Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Quiz H2

Total questions: 26

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.
Waarom spreken we in de zeventiende eeuw van een wetenschappelijke revolutie? 
a)
Omdat mensen toen voor de eerste keer in aanraking kwamen met de wetenschap
b)
Omdat mensen toen niet meer geloofden in de kracht van de wetenschap
c)
Omdat mensen op een wetenschappelijke manier de wereld gingen bestuderen
d)
Omdat mensen niet meer in God geloofden, maar in de wetenschap
2.

Tijdens de wetenschappelijke revolutie veranderde de houding van wetenschappers aanzienlijk in de 17e eeuw. Welke nieuwe onderzoeksmethoden kwamen er?

a)

Observeren, experimenteren en redeneren

b)

Experimenteren en beschrijven

c)

Beredeneren, observeren en instrueren

d)

Onderzoeken, vergelijken en observeren

3.

Welke wetenschapper zei dat de aarde om de zon draait en werd door de inquisitie gedwongen zijn woorden terug te nemen?

a)

Bruno

b)

Galilei

c)

Newton

d)

Vesalius

4.

Welk kenmerk past NIET bij de Verlichting?

a)

Geleerden gaan er vanuit dat mensen kunnen groeien en kunnen leren

b)

Geleerden vinden dat kerkleiders de mensen dom en onwetend houden

c)

Mensen volgen de adviezen op van anderen en denken niet voor zichzelf

d)

Er werden vragen gesteld over de manier waarop de samenleving werd bestuurd

5.

Wat is GEEN verlichtingsideaal?

a)

Alle mensen horen gelijk te zijn.

b)

Alle mensen hebben recht op vrijheid

c)

Alle mensen hebben recht op rijkdom

d)

Alle mensen hebben recht op een menswaardig bestaan.

6.

Welk idee past bij de verlichting?

a)

Macht moet niet gegeven worden aan één persoon/groep

b)

Iedereen mag stemmen

c)

Slaven moeten beter worden behandeld

d)

De paus heeft altijd gelijk

7.

Verspreiding in Frankrijk van de Verlichtingsideeën ging via

a)

Kranten

b)

Bijeenkomsten in salons, georganiseerd door rijke dames

c)

Boeken

8.

Welk verschijnsel in de 18e eeuw in Frankrijk past bij deze afbeelding?

a)

De verlichting

b)

Oude Régime

c)

Standenmaatschappij

d)

Franse Revolutie

9.

Wat is de juiste volgorde van de standen in de standenmaatschappij in Frankrijk in de 18e eeuw?

a)

1e stand adel, 2e stand geestelijkheid, 3e stand de burgers

b)

1e stand geestelijkheid, 2e stand adel, 3e stand boeren

c)

1e stand de burgers, 2e stand adel, 3e stand geestelijkheid

d)

1e stand geestelijkheid, 2e stand adel, 3e stand de burgers

10.

Welke privileges hadden de 1e en 2e stand?

a)

Zij hoefden geen belasting te betalen en alleen mensen uit de 2e stand konden hoge functies in het leger krijgen

b)

Zij hoefden niet mee te regeren in het bestuur

c)

Zij hoefden geen belasting te betalen

d)

Zij konden meebeslissen met de koning en dat mocht de 3e stand niet

11.

Welke Franse koning zie je op deze afbeelding?

a)

Lodewijk XIV

b)

Lodewijk XV

c)

Lodewijk XVI

d)

Frederick van Pruisen

12.

Lodewijk XVI, dat is dus......

a)

de 16e

b)

de 14e

c)

de 15e

d)

de 18e

13.

Waarom was het Franse volk ontevreden eind 18e eeuw? Er zijn drie antwoorden juist.

a)

Er was hongersnood door een vele mislukte oogsten

b)

De schatkist was leeg, Frankrijk was failliet

c)

Het volk wilde een grondwet

d)

Lodewijk XVI en zijn vrouw Marie Antionette gaven veel geld uit en hadden een uitbundig luxe leven

14.

Waarmee begon de Franse Revolutie?

a)

Met de Bestorming van de Bastille

b)

Met het koningschap van Lodewijk XVI

c)

Met de ondertekening van de Franse grondwet

d)

Met de onthoofding van Lodewijk XVI

15.

In welk jaar begon de Franse Revolutie?

(vul alleen cijfers in)

(a)  

16.

Zet de volgende gebeurtenissen in de juiste volgorde:

A) De Nationale Vergadering gaat naar de Kaatsbaan

B) Verklaring van de Rechten van Mens en Burger wordt aangenomen

C) De bestorming van de Bastille

D) De grondwet is klaar

a)

A-B-D-C

b)

A-C-B-D

c)

B-A-D-C

d)

C-A-B-D

17.
De Franse burgers  maakten een grondwet.  Wat was de belangrijkste  regel in die wet?
a)
De voorrechten golden voortaan ook voor de 3e stand.
b)
Iedereen heeft gelijke rechten.
c)
Frankrijk heeft geen koning meer.
d)
De edelen regeren voortaan het land.
18.
Drie jaar na het begin van de revolutie werd Frankrijk een republiek. Dat is.....
a)
een land met een koning zonder macht.
b)
een land met edelen die het land regeren.
c)
een land zonder echte  leider.
d)
een land zonder koning of keizer.
19.

Waarom werd Lodewijk ter dood veroordeeld?

a)

Hij had de staatskas leeggemaakt met zijn luxe leventje.

b)

Hij zat de revolutie in de weg omdat hij zijn macht niet uit handen wilde geven aan de Nationale Vergadering.

c)

Hij was verschillende oorlogen tegen buurlanden begonnen.

d)

Hij was schuldig aan landverraad omdat hij andere vorsten om steun in de vorm van een leger gevraagd zou hebben.

20.

Welke periode van de Franse Revolutie past bij deze afbeelding?

a)

De bestorming van de Bastille

b)

De terreur

c)

Het Directoire

d)

De Nationale Vergadering

21.

Wie zie je op deze afbeelding?

a)

Napoleon Bonaparte

b)

Lodewijk XVI

c)

Lodewijk XIV

d)

John Locke

22.

Tijdens de Franse Revolutie werd de standenmaatschappij en de daarbij behorende rechten afgeschaft.


Welk gevolg had dit voor Napoleon?

a)

Hij mocht naar de militaire school

b)

Hij kon zich aansluiten bij het revolutionaire leger

c)

Hij had hierdoor de mogelijkheid om een hoge positie te krijgen in het leger

23.

Welk van de volgende vernieuwingen heeft Napoleon ingevoerd?

a)

Rechts rijden

b)

Achternamen en huisnummers invoeren

c)

Met de euro betalen

d)

Een wetboek voor iedereen

e)

De pond, inch en yard ingevoerd

24.

Over welke gebeurtenis gaat dit schilderij?

a)

Napoleons Russische veldtocht.

b)

De slag bij Waterloo.

c)

Napoleons ontsnapping van Elba.

d)

De verovering van Nederland.

25.

Napoleon werd definitief verslagen bij...

a)

De slag bij Waterloo

b)

De slag bij Leipzig

c)

De slag bij Austerlitz

d)

De slag bij Heiligerlee

26.

Wat bleef er na de val van Napoleon over van de Franse Revolutie? Er zijn 3 antwoorden goed.

a)

De Code Napoleon blijft bestaan.

b)

In veel landen komen grondwetten.

c)

In veel landen wordt algemeen kiesrecht ingevoerd

d)

In veel landen komt er een scheiding van Kerk en Staat.