wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Leestekens + ond + pv

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

“Het (worden) je vanzelf wel duidelijk”, zei de directeur tegen mij.

a)

word

b)

wort

c)

wordt

2.

In welke zin worden de leestekens goed gebruikt?

a)

Hij is erg bijdehand koppig, en eigenwijs.

b)

Hij is erg bijdehand, koppig, en eigenwijs.

c)

Hij is erg bijdehand, koppig en eigenwijs.

d)

hij is erg bijdehand, koppig en eigenwijs

3.

Waar moet de komma in de zin komen te staan?

a)

Na 'werkt'

b)

Na 'niet'

4.

Waar staan de leestekens en hoofdletters goed:

a)

Mijn moeder zegt: "ik ben trots op jou".

b)

mijn moeder zegt: Ik ben trots op jou.

c)

Mijn moeder zegt: "Ik ben trots op jou".

d)

Mijn moeder zegt: Ik ben trots op jou.

5.

Waar staan de leestekens en hoofdletters goed:

a)

Gijs antwoordt: Ik heb geen zin meer.

b)

gijs antwoordt: ik heb geen zin meer.

c)

gijs antwoordt: "ik heb geen zin meer."

d)

Gijs antwoordt: "Ik heb geen zin meer."

6.

Wat is hier het voegwoord: Daan huurt een boot, want hij wil een boottocht maken.

a)

Daan

b)

want

c)

maken

d)

huurt

7.

Wat is hier het voegwoord: We doen deze les, omdat je er wat van leert.

a)

omdat

b)

We

c)

doen

d)

leert

8.

Verbaasd vroeg zij zich af, waar ze haar pen had neergelegd?

a)

Er moet geen komma in deze zin.

b)

Het vraagteken moet weggelaten worden.

Hier moet een punt staan.

c)

Achter verbaasd moet een komma.

9.

Welk leesteken past het best aan het eind van deze zin?

"Een van hen had een emmer, de tweede had een drilboor en de derde een spade"

a)

?

b)

!

c)

.

10.

Gisteren maakte ik kennis ... een nieuwe klasgenoot.

a)

met

b)

naast

c)

op

d)

voor

11.

In Friesland krijgen de scholen over vijf weken vakantie.

a)

in Friesland

b)

vakantie

c)

krijgen

d)

de scholen

12.

Zullen we in Slagharen samen in een achtbaan?

a)

zullen

b)

we

c)

in Slagharen

d)

in een achtbaan

13.

Zij heeft een struik voor de vlinders geplant.

a)

voor de vlinders

b)

heeft geplant

c)

een struik

d)

zij

14.

Onze hond ligt begraven in de tuin.

a)

in de tuin

b)

ligt

c)

onze hond

d)

begraven

15.

De dames winnen de eerste wedstrijd tijdens het voetbalkampioenschap.

a)

de dames

b)

de eerste wedstrijd

c)

winnen

d)

tijdens het voetbalkampioenschap