WorksheetsIndeling van het dierenrijk 3 KGT
Total questions: 16
Worksheet time: 11mins
Name
Class
Date
1.
Wormen hebben een skelet
a)
Juist
b)
Fout
2.
Dit is een voorbeeld van
a)
eencellige dieren
b)
vogels
c)
geleedpotigen
d)
wormen
3.
Wat zijn de eigenschappen van zoogdieren
(a)
4.
Reptielen zijn warmbloedig
a)
Juist
b)
Fout, reptielen zijn koudbloedig
c)
Fout, reptielen hebben geen bloed
5.
Koudbloedige dieren zijn... (geef de definitie)
(a)
6.
Tot welke klasse van dieren behoort de haai?
a)
zoogdieren
b)
vissen
c)
amfibieën
d)
reptielen
e)
vogels
7.
Tot welke klasse van dieren behoort de hagedis?
a)
zoogdieren
b)
amfibieën
c)
reptielen
d)
vissen
e)
vogels
8.
Welk dier heeft geen inwendig skelet?
a)
Ezel
b)
Kip
c)
Salamander
d)
Schorpioen
9.
Wat is de functie van het skelet van een dier?
a)
Stevigheid en beweging
b)
Stevigheid en bescherming
c)
Bescherming en verdediging
d)
Bescherming en camouflage
10.
Welke 5 groepen van gewervelde dieren zijn er?
a)
sponzen, stekelhuidigen, wormen, amfibieën en vissen
b)
zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen
c)
zoogdieren, vogels, geleedpotigen, wormen en reptielen
d)
vogels, reptielen, vissen, geleedpotigen, en sponzen
11.
Padden zijn koudbloedig, ademen voor een groot deel door hun huid, en hun eieren zijn niet beschermd. Bij welke klasse binnen de afdeling van de gewervelden horen de padden?
a)
Bij de vissen
b)
Bij de reptielen
c)
Bij de zoogdieren
d)
Bij de amfibieën
12.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
13.
Op basis van welke kenmerken worden de vier grote groepen ingedeeld?
a)
celkern, cytoplasma, celwand
b)
celkern, cytoplasma, celmembraan
c)
celkern, celwand, bladgroenkorrels
d)
celkern, bladgroenkorrels, cytoplasma
14.
Welke cel heeft geen celkern?
a)
een bacterië
b)
een schimmel
c)
een plant
d)
een dier
15.
Welke cel is de enige cel zonder celwand en met alleen een celmembraan?
a)
een bacterie
b)
een schimmel
c)
een plant
d)
een dier
16.
Welke functie hebben schimmels en bacteriën allebei?
a)
het vormen van bladgroen
b)
het doorgeven van informatie
c)
het opruimen van dode resten
d)
het vormen van sporen
100 %
