Font size
WorksheetsArchitectuur TERMINOLOGIE - B (TEKST)
Total questions: 14
Worksheet time: 8mins
Doopkerk, meestal op een cirkelvormige of veelhoekige plattegrond, in welker midden het doopbekken of het doopvont. Beroemdste voorbeeld: dat van Florence.
(a)
Ruimtevorm waarbij een hoge, nevensterde ruimte door lage zijruimten wordt omringd. Oorspronkelijk hellenistische koningshal.
(a)
(Grieks: sokkel) : Voet van een zuil, of een pijler.
(a)
Vlak relief, waarvan de figuren minder dan de helft uit de achtergrond steken.
(a)
Ronde of hoekige hoofdtoren van een burcht die bij de belegering toevluchtsoord was. Ook de toren bij de belangrijkste gildehal van een stad.
(a)
Mengsel van zand, kiezel, fijn of grof, cement en water. Wordt voor voegloos metselwerk gebruikt en daarbij in vormen gegoten, gestampt of door ijzeren versterkt. Reeds door Romeinen gebruikt.
(a)
Tegen de muur liggende boogstellingen, die geen openingen omsluiten.
(a)
Wegens decoratie of symmetrie in de muur aangegeven blinde ramen.
(a)
Bouwdeel, dat een wand- of muuropening overspant.
(a)
Buitenwelfvlak van een boog.
(a)
Vensteropening in een gewelf of plafond of dak.
(a)
Onbewerkte steen die zonder behouwing wordt gebruikt
(a)
Pijler omgeven door verschillende halfzuilen.
(a)
Wijze van bouwen bepaald door regionale en historische factoren en/of door een of meer inspirerende personen.
(a)
