WorksheetsArchitectuur TERMINOLOGIE - R/S (TEKST)
Total questions: 31
Worksheet time: 16mins
Laat-romaans, vroeg-gotisch rond venster, waarbij kleine zuiltjes als de spaken van een wiel om een centrale naaf zijn geplaatst. Vergelijk Roosvenster.
(a)
Eetzaal van een klooster.
(a)
(Italiaans: relievo = verheven werk) Beeldhouwwerk waarbij de figuren niet geheel uit de stenen achtergrond worden gehaald: tweedimensionaal.
(a)
Plastische, dikwijls rijk geprofileerde stenen boog in het gewelf. Komt eind 11e eeuw op, wordt eerst als decoratief element gebruikt, daarna constructief als drager van het gewelf.
(a)
Ruitspringend bouwdeel. zie Hoekrisaliet.
(a)
Herhaling van een motief op geregelde afstanden.
(a)
Fries van aan elkaar gerijde rondbogen. Romaans.
(a)
Buitenlijn aan de frontzijde van een gebouw.
(a)
Groot, rond venster, dat door maaswerk roos— of radvormig is geleed. Komt op in de hoge en late romaniek en wordt in de gotiek ontwikkeld tot vormen, die lijken op naaldwerk. Meestal boven het middenporiaa! van de facade,
(a)
Rond siermotief, gelikend op een roos. Als de<br />bladeren om het middelpunt roteren, spreekt men van een<br />wervelrozet.
(a)
Het uit afzonderlijke delen (trommels) of uit één stuk (monolith) gevormde lichaam van een zuil of van een pijler, tussen basis en kapiteel.
(a)
Zijdelings door scheibogen of buitenmuren<br />begrensde ruimte. Zijn richting wordt door de hoofdas van<br />de ruimte (b.v. langshuis, dwarshuis) bepaald. Het aantal<br />van 6én tot vijf schepen wordt geteld langs de dwarsas.
(a)
Boog, die minder dan de helft van een cirkel beschrijft.
(a)
Het toneelgebouw van het Griekse theater.
(a)
Meestal als een ronde relilfplaat gevormde steen op het snijpunt van de ribben van het gewelf. Ook de bovenste steen van een boog.
(a)
Uit twee cirkeldelen samengesteld, boven spits toelopende boog.
(a)
Tongewelf met spitsbogige doorsnede.
(a)
De onderbouw, het fundament van een tempel.
(a)
Massa uit gips, kalk en zand, die, vermengd met water week en kneedbaar is en daarna snel verhardt. Al in de oudheid bekend. In de barok veel gebruikt voor plastische muur- en plafondversiering. Vaak beschilderd of verguld. Door er marmer, albast en lijm bij te voegen kreeg men het zogenaamde stucco lustro dat na het glad maken met een heet ijzer een marmerachtig opperviak krijgt. Stucmarmer uit gipspoeder, albast, gipsstukjes en lijmwater, een massa die als mar-mer werd beschilderd en gepolijst, was zeer geliefd.
(a)
Bovenste trede van de onderbouw van een Griekse tempel, waarop de zuilen staan.
(a)
Een 'gewijd' bouwwerk d.wz met religieuze functies (bijvoorbeeld tempel, kerk moskee). Tegenstelling: profaan bouwwerk.
(a)
Een massieve, gebogen draagconstructie met geringe sterkte en grote spanw ijdte . Vaak toegepast bij grote koepels
(a)
Drager in de vorm van een kleine half- of driekwartzuil, geplaatst tegen een muur of pijler (zie bundelpijler.
(a)
Dak gevormd door twee driehoekige schilden (hel lende vlakken) aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijden.
(a)
Romp van een kerk tussen het koor en evt. bouwsels aan de tegenovergestelde zijde.
(a)
Bouwwijze waarbij van een houten. stenen, stalen of gewapend betonnen geraamte gebruik gemaakt wordt. Dit skelet kan zichtbaar blijven (denk aan gotische luchtbogen en steun- beren) of verhuld
worden.
(a)
1. Bovenste steen in een boog. 2: Steen die in de top van een gewelf de daar samen- komende ribben verbindt
worden.
(a)
Meetkunde van de driedimensionele ruimte.
(a)
Gewelf met een groot aantal ribben die samen een ster- vormige figuur vormen.
(a)
Massieve plaatselijke verzwaring van het muurwerk. Vangt de zijwaartse druk van de gewelven of luchtbogen op die op de muur neerkomen.
(a)
Van stuc (mengsel
van gips, kalk en zand) gemaakte
plastische versiering van bouwde- len.
(a)
