wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Architectuur TERMINOLOGIE - UVWZ (TEKST)

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Bouwdeel, dat voor de rooilijn van het gehele gebouw uitsteekt. Komt veel voor bij middeleeuwse vakwerkbouw.

(a)  

2.

De vensterzone van het middenschip, boven de zijschepen.

(a)  

3.

Naar boven toe srnaller worden.

(a)  

4.

Vrij voor een muur staand lijst- of< maaswerk.

(a)  

5.

Tendens om de verticale delen te accentueren. Vooral in de gotiek.

(a)  

6.

Een in het inwendige van een bouwwerk<br />voorhalachtig geaccentueerde ingang.

(a)  

7.

Het ruimtedeel ontstaand door kruising van langs- en dwarshuis.

(a)  

8.

Meestal rechthoekig op het hoofdgebouw<br />geplaatst lager zijgebouw.

(a)  

9.

Spiraalvormige inrolling aan b.v. het ltonisch kapiteel.

(a)  

10.

Vooral door de Engelse hoge en late gotiek gebruikte vorm van het gewelf, waarbij uit een stut talrijke ribben waaiervormig uitstralen.

(a)  

11.

In kerken de verticale opdeling van de wand door horizontale en verticale elementen. Men onderscheidt naar het aantal horizontale zones het drie— of vierdelig systeem.

(a)  

12.

Sterk afgeschuinde lijst, vooral aan<br />streefpijlers, waardoor het water snel kan afvioeien.

(a)  

13.

Schuin aflopende watergoten die uit de dakgoot steken. In de gotiek als fabeldieren en dergelijke gevormd,

(a)  

14.

Het naar het westen gerichte koor. zie<br />Dubbelkoor.<br />Het naar het westen gerichte koor. zie<br />Dubbelkoor.<br />

(a)  

15.

Bijna .vierkante, met dubbele galerijen uitgeruste voorkerk, in de Karolingische en vroegromaanse tijd voor de westzijde van de basiliek geplaatst. Het midden is als toren gevormd en wordt geflankeerd door twee kleinere traptorens. Waarschijniijk oorspronkelijk bestemd voor de keizer en zijn gevolg.

(a)  

16.

Siergevel boven gotische vensters en portalen. Dikwijls met maaswerk gevuld, van hogels voorzien en bekroond door een kruisbloerm. De naam _ betekent waarschijnlijk windberg d.w.z. beschutting tegen de wind.

(a)  

17.

Uit twee schuin tegen elkaar geplaatste vlakken gevormd dak.

(a)  

18.

Parallelle ruimte naast het middenschip van een kerk, en daarvan door scheibogen afgezonderd.

(a)  

19.

Stut met ronde doorsnede, waarvan de schacht meestal verjongt en vaak in het midden zwelt (entasis). Kan, maar hoeft niet, een basis en een kapiteel te hebben. T.o. Pijler.

(a)  

20.

Trommelvormig stuk steen dat, op andere geplaatst, daarmee de schacht van een zuil vormt. T.o. monolithe schacnt.

(a)  

21.

Geleding van de binnenkant van de middenschips- wand Naar het aantal geledings- elementen onderscheidt men tus- sen een drieledige wandopbouw (arcade, tribune of triforium. licht- beuk) en een vierledige wandop- bouw (arcade, tribune, triforium. lichtbeuk).

(a)  

22.

Dak bestaande

uit twee tegen elkaar geplaatste hellende vlakken.

(a)  

23.

Deel van een meerbeu- kig bouwwerk, evenwijdig aan het middenschip en daaNan (of van andere zijbeuk) gescheiden door zuilen of pijlers Zijbeuken worden doorgaans in combina- ties van twee (een links, een rechts) toegepast

(a)  

24.

De schuine, naar buiten gerichte

druk die in muren ontstaat door het gewicht van ge- welf- of dakconstructies. Deze druk kan worden

opgevangen door de

muren te versterken ( zie luchtboog en steunbeeiJ.

(a)