Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Tijdvak 7 - verschillende vragen

Total questions: 30

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron (= pamflet "Aan het Volk van Nederland")?

a)

Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.

b)

Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

c)

Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme

d)

De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

2.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

a)

Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.

b)

Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

c)

Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme

d)

De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

3.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

a)

Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.

b)

Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

c)

Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.

d)

De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

4.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron (=schilderij over de bestorming van de Bastille)?

a)

Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.

b)

Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

c)

Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme

d)

De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

5.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

Uitspraak van Montesquieu:

'Om machtsmisbruik te voorkomen, dienen de zaken zodanig te zijn geregeld, dat de macht de macht tot staan brengt'

a)

Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.

b)

Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

c)

Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.

d)

De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

6.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

a)

Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.

b)

Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

c)

Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.

d)

De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

7.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

a)

Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.

b)

Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

c)

Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.

d)

De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

8.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

a)

Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen

b)

Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

c)

Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.

d)

De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

9.

Bij welk kenmerkend aspect hoort de historische persoon Frederik de Grote?

a)

Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.

b)

Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

c)

Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.

d)

De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

10.
De inzet van de Amerikaanse revolutie was
a)
Verlichting doorvoeren
b)
los komen van Engeland
c)
eigen zelfbestuur instellen
d)
vrijheid voor slaven
11.

De Nederlandse Revolutie: welk woord hoort niet bij de andere drie begrippen?

a)
baron Joan Derk van de Capellen tot den Pol 
b)
Patriotten
c)
vrije Batavieren
d)
Prinsgezinden
12.
De Franse Revolutie begon ...
a)
gewelddadig en fanatiek
b)
radicaal
c)
geleidelijk vanuit ontevredenheid
d)
ongemerkt vanuit opstandigheid
13.
De bekendste gebeurtenis van de Franse Revolutie was wel 
a)
bestorming van de Tuillerien
b)
bestorming van de Bastille
c)
bestorming van Versailles
d)
theeparty in Bastogne
14.
Door de guillotine kwamen om het leven...
a)
Robespierre
b)
Lodewijk XV
c)
Lodewijk XVI en Robespierre
d)
nog niemand, hij was nog niet uitgevonden
15.
De Code Napoleon 
a)
betekende de opkomst van Napoleon
b)
gelijkheid in de rechtspraak
c)
alle wetten van Napoleon
d)
de strategie van Napoleon op het slagveld
16.
Vorsten kozen soms voor een variant op de Verlichting, namelijk...
a)
pro-Absolutisme
b)
Verlicht absolutisme
c)
Romantiek
d)
dictatuur
17.
John Locke bracht als ideeën in
a)
trias politica
b)
volkssouvereiniteit
c)
tolerantie
d)
iedereen, inclusief de koning gelijk voor de wet
18.
Trias Politica onderscheid 3 machten, welke hoort er niet bij
a)
wetgevende macht
b)
ambtelijke macht
c)
uitvoerende macht
d)
rechterlijke macht
19.
De 18e eeuwse standenmaatschappij kende vele groepen mensen maar niet de
a)
Geestelijkheid
b)
Adel
c)
burgerij
d)
arbeiders
20.

Belangrijke burgers in de Republiek (Nederland) noemen we

(a)  

21.

De beroemdste en machtigste vorst van Frankrijk was

(a)  

22.

Welk begrip past niet bij de Republiek voor 1795?

a)

eenheidsstaat

b)

statenbond

c)

regenten

d)

stadhouder

e)

gewestelijke staten

23.

De grootste tegenstelling in de Republiek was

a)

Willem III tegen de stadhouders

b)

Regenten tegen het stadhouderloostijdperk

c)

prinsgezinden tegen de staatsgezinden

d)

oude en nieuwe plooi tegen de regenten

24.

Op welke manier kon men volgens verlicht denkers alles begrijpen en verbeteren?

a)

Door het gebruik van je ratio en het verwerven van kennis.

b)

Door te luisteren naar de kerk en wat er in de bijbel staat.

c)

Door proefjes te doen, zoals scheikundige experimenten.

d)

Door de teksten te bestuderen van de klassieke filosofen.

25.

Welke kenmerken horen bij het ancien régime? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Censuur

b)

Godsdienstvrijheid

c)

Investeren in het onderwijs

d)

Standensamenleving

e)

Alles voor het volk, niets door het volk

26.

Abolitionisme is geïnspireerd door ...

a)

… de standenmaatschappij van het Ancien Régime

b)

… de vrijheids- en gelijkheidsidealen van de Verlichting

c)

… het handelskapitalisme van de 17e eeuw

d)

… de nieuwe wetenschappelijke methode van wetenschappelijke revolutie

27.

De Franse Revolutie word door velen gezien als de grootste ​ (a)   revolutie. De strijd van de ​ (b)   was gestart tegen de absolute vorst ​ (c)   , en eindigde met het bestuur door Napoleon. waren de doelen van de revolutionairen bereikt? ​ (d)   , Napoleon regeerde als een ​ (e)   .

Choose from the below words
democratische
communistische
burgers
Lodewijk XVI
arbeiders
Lodewijk XIV
Nee
verlicht absoluut vorst
Ja
democratisch leider
28.

Zet de volgende gebeurtenissen in chronologische volgorde (start met de gebeurtenis die het verste in het verleden ligt)

a)

ontdekkingsreizen

b)

kolonisatie

c)

De Republiek veroordeeld de slavenhandel van Spanje en Portugal

d)

De WIC vervoert miljoenen mensen als slaaf vanuit Afrika naar Amerika

e)

Slavernij in Suriname wordt afgeschaft

1)
2)
3)
4)
5)
29.

Slavenhandel door de Nederlanders vond alleen plaats (vanuit West-Afrika) in Amerika.

a)

Ja klopt! Dit werd uitgevoerd door de WIC

b)

Nee, Nederland heeft niet meegedaan aan slavenhandel

c)

Nee, de Nederlandse slavenhandel concentreerde zich in Azië, uitgevoerd door de VOC

d)

Nee, Nederlandse slavenhandel vond plaats in en vanuit factorijen en plantagekolonieën in Afrika, Azië en Amerika.

30.

Door de Wetenschappelijke Revolutie en de Verlichting was niet iedereen meer overtuigd dat er een god bestaat. Hoe noem je iemand die niet in een god geloofd?

a)

agnost

b)

deïst

c)

atheïst

d)

monotheïst