wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

AF periode 7 AH

Total questions: 34

Worksheet time: 9hrs 30mins

Name
Class
Date
1.

de Latijnse benaming voor het ademhaling stelsel?

a)

tractus circulatorius

b)

tractus digestivus

c)

tractus respiratorius

d)

tractus urogenitalis

2.

wat is de belangrijkste ademhalingsspier?

a)

diafragma

b)

intercostale

c)

deltoidius

d)

musculi respiratorius

3.

waar ligt het ademhalingscentrum?

a)

in de hersenstam

b)

in de nervus vagus

c)

in de aortaboog

d)

in de frontale cortex

4.

de linkerlong bestaat uit hoeveel kwabben?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

5.

de scheiding tussen de bovenste- en onderste luchtwegen ligt ter hoogte waarvan?

a)

strotklepje

b)

keelholte

c)

middenrif

d)

stembanden

6.

welke behoort niet tot de onderste luchtwegen?

a)

trachea

b)

larynx

c)

alveoli

d)

bronchioli

7.

welke stelling is juist:

1- longvlies= pleura visceralis

2- borstvlies= pleura pariëtalis

a)

1 is juist, 2 is onjuist

b)

1 is onjuist, 2 is juist

c)

1 is onjuist, 2 is onjuist

d)

1 is juist, 2 is juist

8.

wat is pericard?

a)

hartzakje

b)

hartspier

c)

grote longader

d)

grote longslagader

9.

ligt de slokdarm voor of achter de luchtpijp?

a)

voor

b)

achter

c)

naast

10.

verslikken:

als ik iets inslik en het komt terecht in de luchtpijp. waar blijft het voorwerp dan meestal steken?

a)

strotklepje

b)

stemband

c)

maagportier

d)

bronchus

11.

welke van de bronchussen loopt meer horizontaal?

en waarom is dit?

a)

de linker, i.v.m. de maag

b)

de linker, i.v.m. het hart

c)

de rechter, i.v.m. de maag

d)

de rechter, i.v.m. het hart

12.

wat is de juiste volgorde vanuit de mond gezien?

1- bronchioli.

2- alveoli.

3- trachea.

4- bronchus.

a)

1, 2, 3, 4

b)

4, 2, 1, 3

c)

3, 1, 2, 4

d)

3, 4, 1, 2

13.

stelling:

gasuitwisseling vind plaats in de bronchioli en alveoli.

a)

waar

b)

niet waar

14.

wat is geen functie van de neus?

a)

bevochtigen van de lucht

b)

ruiken

c)

stemvorming

d)

filteren van de lucht

e)

verwarmen van de lucht

15.

wat zijn de functies van de mondholte? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

spijsvertering

b)

proeven

c)

filteren van de lucht

d)

ademen

e)

goede bevochtiging van de lucht

16.

stelling:

bij inademen ontspant het diafragma.

a)

waar

b)

niet waar

17.

wat is diffusie?

a)

doorbloeding van de weefsels

b)

gasuitwisseling

c)

luchtverplaatsing

d)

verzadiging van het bloed

18.

wat is perfusie?

a)

doorbloeding van de weefsels

b)

luchtverplaatsing

c)

gasuitwisseling

d)

verzadiging van het bloed

19.

wat is ventilatie?

a)

doorbloeding van de weefsels

b)

gasuitwisseling

c)

luchtverplaatsing

d)

verzadiging van het bloed

20.

waar bevinden zich de chemosensoren die de ademhaling regelen d.m.v. de pH en CO2 meting? (meerdere antwoorden mogelijk).

a)

aortaboog

b)

longen

c)

halsslagader

d)

hersenstam

e)

trachea

21.

welke is geen onderbreking van het ademautomatisme?

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

geeuwen

b)

boeren

c)

praten

d)

niezen

e)

persen

22.

wat betekent de anatomische dode ruimte?

a)

dit is het gedeelte van de luchtwegen die door een aandoening niet meer werken.

b)

dit is de luchtvolume die veel stikstof bevat.

c)

Dit is het volume lucht in het deel van de luchtwegen waar geen gasuitwisseling plaatsvindt.

d)

dit is het laatste luchtvolume die een overleden persoon uitademt.

23.

stelling:

de longader brengt zuurstofarm bloed naar de longen.

a)

waar

b)

niet waar

24.

wat zijn de ademhalingen per minuut bij een tachypneu?

a)

0

b)

1- 9

c)

12-14

d)

> 30

25.

wat zijn de ademhalingen per minuut bij een bradypneu?

a)

0

b)

1- 9

c)

12- 14

d)

> 30

26.

welke 2 factoren hebben invloed op het transport van zuurstof in het bloed? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

anemie

b)

koolmonoxide

c)

stikstof

d)

temperatuur

e)

vochtbalans

27.

wat kan er gemeten/ berekend worden bij spirometrie? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

maximale uitademing

b)

minimale uitademing

c)

longinhoud

d)

teugvolume

e)

aantal ademhalingen per minuut

28.

wat zijn pulmonale capillairen?

a)

longhaarvaatjes

b)

longblaasjes

c)

de spieren om de alveoli

d)

de kraakbeenringen om de bronchioli

29.

welke behoort niet tot de anatomische dode ruimte?

a)

neusholte

b)

bronchioli

c)

trachea

d)

alveoli

30.

welke is geen ademhalingsgas?

a)

O2

b)

CO

c)

CO2

31.

welke van de onderstaande vervoert zuurstof?

a)

trombocyt

b)

elektrolyt

c)

erytrocyt

d)

leukocyt

32.

stelling:

Hematocriet= hoeveelheid rode bloedlichaampjes die aanwezig is in een bloedmonster.

a)

waar

b)

niet waar

33.

elke hemoglobine molecuul (Hb) kan hoeveel zuurstofmoleculen aan zich binden?

a)

2

b)

4

c)

6

d)

ontelbaar

34.

stikstof is altijd dodelijk.

a)

waar

b)

niet waar