Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Keuzevoorzetsels

Total questions: 31

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Er sitzt auf d... Stuhl (m).

a)

dem

b)

der

c)

den

2.

Der Test hat vor ein... halben Stunde angefangen.

a)

eine

b)

einer

c)

einem

3.

Er ging letztes Jahr in d... Ausland.

a)

dem

b)

das

c)

die

4.

Sie setzt sich auf d... Stuhl (m).

a)

den

b)

dem

c)

der

5.

Ich warte schon den ganzen Tag auf ihr... Antwort (v).

a)

ihrer

b)

ihr

c)

ihre

6.

Wir sollten wählen zwischen d... Hose und d... T-Shirt.

a)

die - dem

b)

die - das

c)

der - dem

d)

die - dem

7.

Ich hatte an dies... Stelle einen Unfall.

a)

dieser

b)

diese

c)

dieses

8.

Du sollst dich hinter dies... Kind stellen.

a)

diese

b)

dieses

c)

diesem

9.

ich hänge das Bild an d... Mauer (v).

a)

die

b)

den

c)

der

10.

Deine Tasche steht hinter unser... Tisch (m).

a)

unserem

b)

unser

c)

unseren

11.

Auf dies... Weise geht das nicht!

a)

dieser

b)

diese

c)

dieses

12.

Das hat er schon vor ein... Monat (m) gemacht.

a)

einem

b)

einen

c)

ein

13.

Welke naamval komt na Ausßer?

a)

3e naamval

b)

4e naamval

14.

Welk voorzetsel hoort in de zin?

Ich habe ein Geschenk (voor) meinen Vater.

a)

vor

b)

für

c)

zu

d)

bei

15.

Wat betekent seit?

a)

langs

b)

zonder

c)

sinds

d)

naast

16.

Welk van deze voorzetsels hoort bij de 3e naamval?

a)

Durch

b)

Bis

c)

Entlang

d)

Mit

17.

Welk voorzetsel hoort bij de 4e naamval?

a)

Zu

b)

Bei

c)

Gegenuber

d)

Um

18.

Welke naamval volgt na ohne?

a)

3e naamval

b)

4e naamval

19.

Welke naamval volgt na gegen?

a)

3e naamval

b)

4e naamval

20.

Vul het voorzetsel en lidwoord in.

Er fährt (naar de) Friseur.

a)

zum

b)

zu dem

c)

nach dem

d)

nach der

21.

Vul het voorzetsel en lidwoord in.

Ich laufe (langs de zee).

a)

dem Meer entlang

b)

der Meer entlang

c)

das Meer entlang

d)

die Meer entlang

22.

Hoeveel keuzevoorzetsels zijn er in het Duits

a)

7

b)

2

c)

9

23.

Welke naamval kan er na een keuzevoorzetsel komen in het Duits?

a)

1e

b)

2e

c)

3e

d)

4e

24.

Als je na het voorzetsel een naamval invult, hoef je alleen naar het voorzetsel te kijken.

a)

waar

b)

niet waar

25.

Geef van het dikgedrukte zinsdeel aan of het er komen/er zijn is:

Ich sitze schon seit 4 Stunden auf diesem Stuhl.

a)

er zijn=3e naamval

b)

er komen=4e naamval

26.

Geef van het dikgedrukte zinsdeel aan of het er komen/er zijn is:

Ich springe in das kalte Wasser.

a)

er zijn=3e naamval

b)

er komen=4e naamval

27.

Geef van het dikgedrukte zinsdeel aan of het er komen/er zijn is:

Wir wohnen in diesem Haus.

a)

er zijn=3e naamval

b)

er komen=4e naamval

28.

Geef van het dikgedrukte zinsdeel aan of het er komen/er zijn is:

Der Ball rollt in das leere Tor.

a)

er zijn=3e naamval

b)

er komen=4e naamval

29.

Wat betekent vor?

a)

voor

b)

over

c)

achter

30.

Wat betekent zwischen?

a)

achter

b)

naast

c)

tussen

d)

voor

31.

Wat betekent neben?

a)

achter

b)

naast

c)

tussen

d)

voor