Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2 BK | Voortplanting | BS8

Total questions: 39

Worksheet time: 1hrs 5mins

Name
Class
Date
1.

Welk onderdeel wordt aangegeven met 1?

a)

Kroonblad

b)

Kelkblad

c)

Vruchtbeginsel

d)

Helmknop

2.

Welk onderdeel wordt aangegeven met 3?

a)

Meeldraad

b)

Vruchtbeginsel

c)

Kroonblad

d)

Helmknop

3.

Welk onderdeel wordt aangegeven met 7?

a)

Zaadbeginsel

b)

Zaadje

c)

Bloempit

d)

Vruchtbeginsel

4.

Welk onderdeel wordt aangegeven met 9?

a)

Kelkblad

b)

Kroonblad

c)

Bloemsteel

d)

Bloembodem

5.

Door welk onderdeel wordt een bloem erg aantrekkelijk?

a)

Bloemsteel

b)

Kroonblad

c)

Kelkblad

d)

Stamper

6.

Hoe heet de mannelijke geslachtsorgaan van een bloem?

a)

Keeldraden

b)

Meeldraden

c)

Stampdraden

d)

Stamper

7.

Hoe heet het vrouwelijke geslachtsorgaan van een bloem?

a)

Meeldraden

b)

Keeldraden

c)

Stampdraden

d)

Stamper

8.

Leg in je eigen woorden uit wat bevruchting is en hoe dit gebeurt bij bloemen.

4 lines
9.

Wat is bestuiving?

4 lines
10.

Bevruchting en bestuiving is hetzelfde.

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

In een stamper zit de zaadbeginsels met de eicellen

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Een kelkblad beschermt de bloemknop tegen

a)

uitdroging

b)

insecten

c)

water

13.

Hoe kun je stuifmeelkorrels het best omschrijven?

a)

Stuifmeelkorrels zijn de mannelijke voortplantingscellen.

b)

Stuifmeelkorrels zijn de vrouwelijke voortplantingscellen

c)

Stuifmeelkorrels zijn de eicellen van planten

d)

Stuifmeelkorrels zijn de grootste cellen van een plant

14.

Welk onderdeel van de stamper kan stuifmeelkorrels opvangen?

a)

De Stempel

b)

De Stijl

c)

Het Vruchtbeginsel

15.

Een zaadplant maakt eicellen. Waar kun je die eicellen vinden?

a)

In de stempel

b)

In de stijl

c)

In het zaadbeginsel

d)

In de meeldraden

16.

Bekijk de afbeelding. Welk nummer geeft de stijl aan?

a)

1

b)

5

c)

6

d)

2

17.

Bekijk de afbeelding. Welk onderdeel helpt bij het lokken van bijen

a)

1

b)

2

c)

4

d)

3

18.

Dit is een

a)

windbloem

b)

insectenbloem

c)

geen bloem

d)

kabloem

19.

Dit is een

a)

windbloem

b)

insectenbloem

c)

geen bloem

d)

kabloem

20.

Dit is een

a)

windbloem

b)

insectenbloem

c)

geen bloem

d)

kabloem

21.

Welk deel van een zaad bevat reservevoedsel voor het kiemplantje?

a)

Zaadlobben

b)

Zaadhuid

c)

Kiem

d)

Navel

22.

Hoeveel zaden heeft een vrucht?

a)

Dat ligt aan het aantal vruchtbeginsels

b)

Dat ligt aan het aantal bevruchte zaadbeginsels

c)

Dat ligt aan het aantal kiemen

23.

Kelkbladeren zijn meestal opvallend gekleurd

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

Bij welk type bloemen steken de helmknoppen en stempels vaak buiten de bloem uit?

a)

Bij insectenbloemen

b)

Bij windbloemen

25.

Als een bloem alleen maar meeldraden OF stampers heeft noem je deze...

a)

Eenslachtig

b)

Tweeslachtig

26.

Een plant heeft 8 zaadbeginsels. Hoe veel zaadjes kan deze plant maximaal maken?

(a)  

27.

Een bloem beschikt alleen over een stamper, is deze bloem eenslachtig of tweeslachtig en is deze bloem mannelijk of juist vrouwelijk?

a)

eenslachtig en mannelijk

b)

tweeslachtig en mannelijk

c)

eenslachtig en vrouwelijk

d)

tweeslachtig en vrouwelijk

28.

Wat vormt er zich als eerste na bestuiving uit de stuifmeelkorrel?

a)

stuifmeelbuis

b)

zaadbeginsel

c)

vruchtvlees

d)

een kiem

29.

Een plant beschikt over 6 zaadbeginsel. Irene beweert dat deze plant na de bevruchting 9 zaden heeft geproduceerd, kan dit?

a)

Ja dat kan, ik ben het met Irene eens

b)

Nee dat kan niet, ik ben het oneens met Irene

30.

In zaden zit het begin van een nieuw plantje. Hoe wordt dit jonge plantje genoemd?

a)

vrucht

b)

navel

c)

kiem

d)

zaadlob

31.

Welke eigenschap(pen) behoren niet tot windbloemen?

a)

produceren veel stuifmeel

b)

verspreiden een lokkende geur

c)

hebben kleine stempels

d)

meeldraden zitten vakken binnen de bloem

32.

Wat is een belangrijk kenmerk van windbloemen waardoor er meer kans is op bevruchting?

a)

Ze maken veel nectar

b)

Ze hebben altijd een gele kleur

c)

Ze maken veel stuifmeelkorrels

d)

Ze hebben lange meeldraden

33.

Tot wat groeit een vruchtbeginsel uit?

a)

De bloem

b)

Het zaad

c)

De vrucht

d)

De stengel

34.

Op welke manier kunnen vruchten NIET verspreid worden?

a)

door dieren

b)

door de wind

c)

door de zon

d)

door de plant zlef

35.

Hoe kunnen vogels zorgen voor het verspreiden van zaadjes?

a)

de zaadjes kleven aan hun vleugels en vallen eraf bij het vliegen

b)

ze eten bessen en poepen de zaadjes uit

c)

ze eten het vruchtvlees van de bessen en spugen de zaadjes uit

36.

Hoe worden deze zaadjes verspreid?

a)

Door de wind

b)

Door de plant zelf

c)

Door dieren die ze eten

d)

Door dieren waaraan ze blijven plakken

37.

Hoe worden deze zaadjes verspreid?

a)

Door de wind

b)

Door de plant zelf

c)

Door dieren die ze eten

d)

Door dieren waaraan ze blijven plakken

38.

Hoe worden deze zaadjes verspreid?

a)

Door de wind

b)

Door de plant zelf

c)

Door dieren die ze eten

d)

Door dieren waaraan ze blijven plakken

39.

Hoe worden deze zaadjes verspreid?

a)

Door de wind

b)

Door de plant zelf

c)

Door dieren die ze eten

d)

Door dieren waaraan ze blijven plakken