wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3.1 - 3.2 en 3.3 ordening

Total questions: 37

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

In de afbeelding is een cel schematisch getekend.

Tot welk domein behoort het organisme waarvan deze cel afkomstig is?

a)

Eukaryoten

b)

Prokaryoten

c)

Planten

d)

Schimmels

2.

Eukaryoten hebben altijd een..

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Nooit een celkern

d)

Soms een celkern en soms niet

3.

Prokaryoten zijn altijd eencellig

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

Paarden en ezels kunnen samen nakomelingen krijgen die we muilezels noemen, muilezels zijn onvruchtbaar


Behoren een ezel en een paard tot één soort?

a)

Nee, ze de nakomelingen zijn onvruchtbaar

b)

Ja, want ze komen uit hetzelfde geslacht

c)

Ja, want ze kunnen nakomelingen krijgen

5.

Organismen en hun DNA vertonen de meeste overeenkomst met elkaar wanneer ze tot dezelfde soort behoren

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Welke van onderstaande onderdelen komen in een schimmelcel NIET voor?

a)

Celwand

b)

Bladgroenkorrels

c)

Celkern

7.

Welke organismen behoren tot de prokaryoten?

a)

Bacteriën

b)

Dieren

c)

Schimmels

d)

Planten

e)

Archaea

8.

Een pekinees en een Deense dog zijn twee hondenrassen.


Mirjam zegt: Ze kunnen samen vruchtbare nakomelingen krijgen

Wim zegt: Ze behoren tot verschillende soorten


Wie heeft gelijk?

a)

Alleen Mirjam

b)

Alleen Wim

c)

Beiden hebben gelijk

d)

Beiden hebben géén gelijk

9.

Welk celkenmerk heeft het rijk van de bacteriën wel?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

10.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk type cellen is dit?

a)

dieren

b)

planten

c)

schimmels

d)

bacteriën

11.

Je ziet hier cellen. Kunnen deze cellen fotosynthese doen?

a)

ja

b)

nee

12.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan een bacterie zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

13.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel is cel nummer 4?

a)

bacterie

b)

schimmel

c)

plant

d)

dier

14.

Juist of onjuist?

Schimmels hebben cellen mét een celkern.

a)

Juist

b)

Onjuist

15.

Zowel het ontstaan als het uitsterven van diersoorten zijn allebei onderdelen van evolutie.

a)

waar

b)

niet waar

16.

Een zezel is een kruising tussen een zebra en een ezel. Een zezel is niet vruchtbaar.


Zijn een ezel en een zebra dezelfde soort?

a)

Ja, want ze kunnen nakomelingen krijgen.

b)

Nee, want ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen krijgen.

c)

Nee, want ze kunnen geen nakomelingen krijgen.

d)

Ja, want ze kunnen vruchtbare nakomelingen krijgen.

17.

Welke uitspraak of uitspraken is/zijn juist over de afbeelding?

a)

Deze honden behoren niet tot dezelfde soort.

b)

Deze honden behoren tot dezelfde soort.

c)

Deze honden behoren niet tot hetzelfde ras.

d)

Deze honden behoren tot hetzelfde ras.

18.

Wat stellen de groene bolletjes in het vertakkingsschema voor?

a)

Gemeenschappelijke voorouder

b)

Tussensoorten

c)

Tijdsindicatie

d)

Kruising van soorten waardoor er twee nieuwe ontstaan.

19.

Welke organimsen zijn meer aan elkaar verwant?

a)

Reptielen en amfibieën

b)

Reptielen en vogels

c)

Reptielen en vissen

d)

Reptielen en zoogdieren

20.

Een ijsgrizzly is een kruising tussen een grizzlybeer en een ijsbeer. Een ijsgrizzly is vruchtbaar.


Zijn een grizzlybeer en een ijsbeer dezelfde soort?

a)

Ja, want ze kunnen nakomelingen krijgen.

b)

Nee, want ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen krijgen.

c)

Nee, want ze kunnen geen nakomelingen krijgen.

d)

Ja, want ze kunnen vruchtbare nakomelingen krijgen.

21.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
22.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
23.

Stekelhuidigen zijn veelzijdig symmetrisch.

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

In de afbeelding zie je een dier. Wat voor skelet heeft dit dier?

a)

Een inwendig skelet.

b)

Een uitwendig skelet.

c)

Geen skelet.

25.

Een kwal is veelzijdig symmetrisch

a)

Juist

b)

Onjuist

26.

Dieren hebben celwanden om de cellen

a)

Juist

b)

Onjuist

27.

Een kokkel (zie afbeelding) hoort tot de weekdieren

a)

Juist

b)

Onjuist

28.

Tot welke groep van het dierenrijk behoort dit dier?

a)

Neteldieren

b)

Stekelhuidigen

c)

Geleedpotigen

d)

Weekdieren

29.
Welk dier heeft geen inwendig skelet?
a)
Ezel
b)
Kip
c)
Salamander
d)
Schorpioen
30.

Welke 5 groepen van gewervelde dieren zijn er?

a)

sponzen, stekelhuidigen, wormen, amfibieën en vissen

b)

zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen

c)

zoogdieren, vogels, geleedpotigen, wormen en reptielen

d)

vogels, reptielen, vissen, geleedpotigen, en sponzen

31.

Deze dieren hebben geen skelet. Ze vangen prooien met tentakels en leven in de zee.

Tot welke groep behoren deze dieren?

a)

Weekdieren

b)

Stekelhuidigen

c)

Geleedpotigen

d)

Holtedieren

32.

Tot welke STAM van het dierenrijk behoort het dier in de afbeelding?

a)

Stekelhuidigen

b)

Zoogdieren

c)

Gewervelden

d)

Weekdieren

33.

Tot welk STAM behoort onderstaand organisme?

a)

Sponzen

b)

Neteldieren

c)

Gewervelden

d)

Weekdieren

e)

Geleedpotigen

34.

Een krokodil is veelzijdig symmetrisch

a)

Juist

b)

Onjuist

35.

Hieronder staan 4 antwoorden. Welk antwoord is een stam.

a)

Dieren

b)

Zoogdieren

c)

Geleedpotigen

d)

Planten

36.

Welk antwoord is een rijk

a)

Planten

b)

Sporenplanten

c)

Gewervelden

d)

Vissen

37.
Tot welke afdeling van het dierenrijk behoort de zeekat?
a)
Geleedpotigen
b)
Gewervelden
c)
Holtedieren
d)
Weekdieren