wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Erfelijkheid 5.1

Total questions: 20

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.
Je ziet in de afbeelding een krokusknol met enkele scheuten. De scheuten kunnen van de knol worden gehaald en verder groeien als afzonderlijke planten.
Welke bewering over de jonge planten is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
2.
De Indische wandelende tak (zie de afbeelding) is een insect dat je als huisdier kunt houden. Een volwassen vrouwtje leeft enkele maanden en legt elke dag twee of drie eieren. De eieren hoeven niet te worden bevrucht. Uit elk eitje ontwikkelt zich een vrouwtje dat precies op de moeder lijkt.
Van welke vorm van voortplanting is hier sprake?
a)
Geslachtelijke voortplanting
b)
Ongeslachtelijke voortplanting
3.

Is de persoon van het karyogram een jongen of een meisje?

a)

Jongen

b)

Meisje

4.

Een genotype met twee dezelfde allelen noemen we ook wel

a)

monohybride

b)

dihybride

c)

homozygoot

d)

heterozygoot

5.

Men vergelijkt de naalden aan één spar. De naalden zijn niet allemaal even lang.

Is bij een korte naald het fenotype anders dan bij een lange naald? En het genotype?

a)

Alleen het genotype is anders

b)

Alleen het fenotype is anders

c)

Zowel het fenotype als genotype zijn anders

d)

Fenotype en genotype zijn bij beide gelijk

6.

Een bijenvolk bestaat uit darren (mannelijke bijen), werksters (vrouwelijke bijen) en een koningin. In bron 1 zijn deze drie typen bijen weergegeven.

Darren ontstaan uit onbevruchte eicellen. Werksters en koninginnen ontstaan uit bevruchte eicellen. Een larve, ontstaan uit een bevruchte eicel, ontwikkelt zich afhankelijk van de hoeveelheid en de samenstelling van het toegediende voedsel tot een werkster of tot een koningin.

Naar aanleiding van deze gegevens worden de volgende beweringen gedaan.

1 Bij het ontstaan van het verschil in fenotype tussen een dar en een koningin spelen verschillen in genotype een belangrijke rol.

2 Bij het ontstaan van het verschil in fenotype tussen een werkster en een koningin spelen milieufactoren een belangrijke rol.


Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

a)

Alleen bewering 1 is juist.

b)

Alleen bewering 2 is juist.

c)

De beweringen 1 en 2 zijn beide juist.

7.

Een koe heeft voor vachtkleur genotype Bb

a)

de koe is bruin want bruin is dominant

b)

de koe is heterozygoot voor vachtkleur

c)

de koe is wit van vacht

d)

Dit kan je niet weten: te weinig informatie

8.

genotype bb noemen we

a)

homozygoot dominant

b)

heterozygoot

c)

homozygoot recessief

d)

dit kan je niet weten: te weinig info

9.

Wat is het genoom?

a)

De erfelijke code van organismen

b)

De erfelijke code van de mens

c)

De combinatie van genotype met invloeden uit het milieu

d)

Zichtbare eigenschappen

10.
Hoeveel autosomen zitten in een gewone cel?
a)
44
b)
46
c)
2
11.

Wat ontwikkelt zich uit een embryo zonder SRY-gen?

a)

Iemand met het syndroom van Down

b)

Een meisje

c)

Een jongen

d)

Iemand met het syndroom van Turner.

12.
DNA bevindt zich in de kern van de cel, maar ook ergens anders? Waar?
a)
Deze bewering is niet juist
b)
In de ribosomen
c)
In de mitochondrien
d)
In het celplasma
13.
Wanneer kan crossing-over optreden?
a)
tijdens de meiose
b)
tijdens de mitose
14.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

Bij de vorming van de eicel

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

15.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir. Twee jaar later is hij volwassen geworden. Juist of onjuist: Het jonge dier heeft hetzelfde fenotype als het volwassen dier.

a)

juist

b)

onjuist

16.

Een kat heeft in een lichaamcel 38 chromosomen. Hoeveel zitten er dan is een geslachtscel?

a)

38

b)

19

c)

18

d)

76

17.

Een bioloog bepaald het aantal chromosomen van een cel onder de microscoop. Zij telt er 21. Welke conclusie kun je nu trekken?

a)

Dit is een geslachtscel

b)

Dit is een lichaamscel

c)

Dit kan een lichaamscel of een geslachtscel zijn

18.

Bert en Marieke willen graag een kind, maar beide zijn ze drager van een recessief allel dat een ernstige spierziekte kan veroorzaken. Wat is de kans dat hun kindje de ziekte krijgt?

a)

100%

b)

75%

c)

50%

d)

25%

e)

0%

19.

Een bepaalde plantensoort heeft drie allelen voor bloemkleur: onvolledig dominant allel voor rood Er, onvolledig dominant allel voor blauw Eb en recessief allel voor wit e. Een plant met het genotype Er en Eb heeft paarse bloemen. Er zijn bij deze planten soort twee allelen voor bloemgrootte: dominant allel voor grote bloemen G en recessief allel voor kleine bloemen g.

Een kruising van twee individuen levert talrijke nakomelingen op met acht verschillende fenotypen: 75% van de nakomelingen is grootbloemig. Wat zijn de fenotypen van de met elkaar gekruiste individuen?

a)

Paarse grootbloemige plant en paarse grootbloemige plant

b)

Paarse grootbloemige plant en witte kleinbloemige plant

c)

Rode grootbloemige plant en blauwe grootbloemige plant

d)

Rode grootbloemige plant en witte kleinbloemige plant

20.

Allel E voor een bruine vacht is dominant over allel e voor een zwarte vacht. Allel G voor een gevlekte vacht is dominant over allel g voor een effen vacht. Beide genen liggen op hetzelfde chromosoom en erven dus gekoppeld over. Een man en een vrouw met op het ene chromosoom EG en op het andere chromosoom eg krijgen 24 kinderen. Hoeveel kinderen hebben een bruine, effen vacht?

a)

24

b)

18

c)

12

d)

6

e)

0