wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Poëzie 3

Total questions: 45

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn kenmerken van gedichten? Er zijn meer antwoorden mogelijk.

a)

er is iets bijzonders gedaan met ritme, klank en betekenis

b)

vaak zijn dingen letterlijk bedoeld

c)

de dichter bepaalt de lengte van de regel

d)

de laatste woorden van de regel rijmen altijd op elkaar

2.

Wat is geen bestaand metrum?

a)

dactylus

b)

jambe

c)

trocheus

d)

enjambement

3.

Als je een rijmschema maakt, dan let je alleen op:

a)

beginrijm

b)

eindrijm

c)

klankrijm

d)

assonantie

4.

De onderstreepte woorden vormen:


Als de zon en ook mijn vrienden

zijn verdwenen

struin ik nog buiten rond.

Achter raam na raam na raam

Sluiten gordijnen en gaan lampen aan.

Op straat wordt het snel later

Als elk venster zijn verhaal vertelt

in mijn schaduwstraattheater.

a)

alliteratie

b)

assonantie

c)

binnenrijm

d)

eindrijm

5.

In welke woorden kom je assonantie tegen?


Als de zon en ook mijn vrienden

zijn verdwenen

struin ik nog buiten rond.

Achter raam na raam na raam

Sluiten gordijnen en gaan lampen aan.

Op straat wordt het snel later

Als elk venster zijn verhaal vertelt

in mijn schaduwstraattheater.

a)

struin en buiten

b)

achter en raam

c)

venster en verhaal

d)

verhaal en vertelt

6.

Welk rijmschema zien we hier?


Er was een bij te 's-Gravenhage

die antwoord wist op alle vragen.

Toen men hem moeielijk genoeg

‘Wat was was eer was was was?’ vroeg,

werd hij de winnaar van de quiz

met ‘Eer was was was was was is.’

a)

aa bb cc

b)

ab ba cc

c)

ab ab cc

d)

aa bc cb

7.

Het schema ABBA CDDC is een voorbeeld van:

a)

gepaard rijm

b)

omarmend rijm

c)

gekruist rijm

d)

binnenrijm

8.

Welke stijlfiguur herken je in ieder vers?

a)

Alliteratie

b)

Binnenrijm

9.

Welke stijlfiguur herken je?

a)

Alliteratie

b)

Binnenrijm

10.

Welke stijlfiguur herken je?

a)

Alliteratie

b)

Binnenrijm

11.

Ik ben geboren uit zonnegloren.

a)

alliteratie

b)

binnenrijm

12.

De wind floot door de takken.

a)

vergelijking

b)

metonymie

c)

metafoor

d)

personificatie

13.

Oma heeft haar laatste adem uitgeblazen.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

paradox

d)

understatement

14.

Zij lachte zich dood.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

climax

d)

paradox

15.

Vanwege een wisselstoring hebben de treinreizigers te maken met extra reistijd.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

climax

d)

paradox

16.

Kijk, de zon gaat onder, het meer staat in brand.

a)

vergelijking

b)

metonymie

c)

metafoor

d)

personificatie

17.

Lucebert, de keizer der poëten!

a)

personificatie

b)

metafoor

c)

vergelijking zonder als

d)

vergelijking met van

18.

Hij gaat creatief met de waarheid om.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

tautologie

d)

anticlimax

19.

ogen luistert, spraken de oren.

a)

metafoor

b)

metonymie

c)

paradox

d)

personificatie

20.

Ik heb net twee Monets aangeschaft.

a)

personificatie

b)

tautologie

c)

metafoor

d)

metonymie

21.

Pas in de volte van de grote stad voel je de leegheid.

a)

climax

b)

hyperbool

c)

paradox

d)

anticlimax

22.

's Nachts staat er een zilveren sikkel aan de hemel.

a)

metafoor

b)

metonymie

c)

personificatie

d)

tautologie

23.

De nachten zijn daar bitterkoud.

a)

hyperbool

b)

synesthesie

c)

personificatie

d)

metafoor

24.

Rond de Kerst heeft mijn zusje altijd een gat in haar hand.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

synesthesie

d)

hyperbool

25.

Uren, dagen, maanden, jaren vliegen als een schaduw heen.

a)

paradox

b)

climax

c)

hyperbool

d)

metonymie

26.

Bovendien is ook nog zijn vrouw overleden.

a)

pleonasme

b)

tautologie

c)

antithese/tegenstelling

d)

metonymie

27.

Wij hebben nog nimmer zo'n stilte gehoord

a)

climax

b)

personificatie

c)

paradox

d)

metonymie

28.

Je moet dit niet zo zwart-wit bekijken.

a)

antithese/tegenstelling

b)

herhaling

c)

tautologie

d)

hyperbool

29.

Nieuwe woorden worden ook wel 'neologismen' genoemd.

a)

waar

b)

niet waar

30.

Na de oorlog werd er veel over de oorlog geschreven. Waarom?

a)

Er was niets anders om over te schrijven

b)

Schrijven over de oorlog verkocht goed.

c)

Het was een hulpmiddel om trauma's te verwerken en een manier om het verleden te begrijpen, bewaren en vorm te geven.

d)

De oorlog vormde een nieuwe stroming in de literatuur.

31.

Wie was een bekende auteur van de Dada-beweging?

a)

J.C. Bloem

b)

Hugo Claus

c)

Lucebert

d)

Paul van Ostaijen

32.

Martinus Nijhoff plaatsen we onder:

a)

Romantiek

b)

Surrealisme

c)

Dadaïsme

d)

Geen stroming

33.

Wat wilden de Vijftigers?

a)

De naoorlogse dichtkunst voortzetten.

b)

De naoorlogse dichtkunst vernieuwen.

c)

De naoorlogse dichtkunst vrolijker maken.

d)

De naoorlogse dichtkunst vergelijken met de middeleeuwen.

34.

Welk gedicht hoort bij de stroming Dada?

a)
b)
c)
35.

Hans Andreus werd door de Vijftigers beïnvloed.

a)

waar

b)

niet waar

36.

Ida Gerhardt schreef vormvaste symbolistische gedichten.

a)

waar

b)

niet waar

37.

Cees Buddingh' schreef graag over alledaagse zaken met een luchtige stijl.

a)

waar

b)

niet waar

38.

Bernlef is een vertegenwoordiger van de Tachtigers.

a)

waar

b)

niet waar

39.

Ook een spoorboekje of menukaart kon in het tijdschrift Barbarber voorkomen.

a)

waar

b)

niet waar

40.

Rawie was dichter des Vaderlands.

a)

waar

b)

niet waar

41.

De Vijftigers schreven begrijpelijke poëzie.

a)

waar

b)

niet waar

42.

Een kenmerk van de generatie 1910 is de romantiek.

a)

waar

b)

niet waar

43.

l'art pour l'art betekent dat kunst een belangrijke boodschap moet overbrengen.

a)

waar

b)

niet waar

44.

Anna Enquist laat muziek vaak een grote rol spelen in haar gedichten.

a)

waar

b)

niet waar

45.

In het ik-tijdperk vanaf de jaren zeventig zijn er een paar vaste literaire stromingen.

a)

waar

b)

niet waar