wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Campus 2a: Herhaling deel 2 en 3

Total questions: 93

Worksheet time: 3mins

Name
Class
Date
1.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik ga straks eerst naar huis, dan ga ik mijn huiswerk maken en daarna ga ik tv-kijken.

a)

Opsommend

b)

Chronologisch

c)

Beschrijvend

d)

Vergelijkend

e)

Oorzaak-gevolg

2.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Net als zij heeft hij jarenlang in het buitenland gewoond.

a)

Vergelijkend

b)

Beschrijvend

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Opsommend

e)

Chronologisch

3.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Hij viel van zijn fiets, doordat hij teveel gedronken had.

a)

Opsommend

b)

Chronologisch

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Beschrijvend

e)

Vergelijkend

4.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'daardoor'?

a)

Opsommend

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Chronologisch

d)

Beschrijvend

e)

Vergelijkend

5.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'evenals'?

a)

Vergelijkend

b)

Opsommend

c)

Chronologisch

d)

Beschrijvend

e)

Oorzaak-gevolg

6.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'vervolgens'?

a)

Opsommend

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Chronologisch

d)

Vergelijkend

e)

Beschrijvend

7.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'bovendien'?

a)

Chronologisch

b)

Opsommend

c)

Vergelijkend

d)

Beschrijvend

e)

Oorzaak-gevolg

8.

Vul aan met een passend voorzetsel.


Men zegt dat ik lijk (a)   mijn grootmoeder.

9.

Vul aan met een passend voorzetsel.


De dokter verschaft de nodige uitleg (a)   de patiënt.

10.

Vul aan met een passend voorzetsel.


Gelukkig leven wij (a)   de eenentwintigste eeuw!

11.

Vul aan met een passend voorzetsel.


De vogels vluchten (a)   de aankomende storm.

12.

Vul aan met een passend voorzetsel.


De kustwacht hield de haven goed (a)   de gaten.

13.

Vul aan met een passend voorzetsel.


Mijn ouders verwachten te veel (a)   mij.

14.

Vul aan met een passend voorzetsel.


Je bent zelf verantwoordelijk (a)   je daden.

15.

Vul aan met een passend voorzetsel.


Waarom heb jij een hekel (a)   mij?

16.

Vul aan met een passend voorzetsel.


Beperk je (a)   de essentie, je hoeft de details niet te kennen.

17.

Vul aan met een passend voorzetsel.


Schaam je je niet (a)   je ongepast gedrag?

18.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Mijn mama heeft de hond gisteren gevoederd.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

19.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Gisteren heb ik haar een klap gegeven.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

20.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Meneer Philippe wijkt graag af van het padje.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

21.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Mevrouw Jill is trots op haar nieuwe huis.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

22.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Op Paaszondag worden er chocolade eieren geraapt door kinderen.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

23.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Twee weken heb ik het oorlogsmuseum van Bastogne bezocht.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

24.

Is de onderstaande zin actief of passief?


De tanden van het kind werden gebroken tijdens de val op de trampoline.

a)

actief

b)

passief

25.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Wij rekenen op een kladblaadje.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

26.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Wij rekenen op je komst.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

27.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


De leerlingen hingen aan haar lippen.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

28.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


De leerlingen hingen aan het rek.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

29.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Blijf met je vingers van mijn auto af.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

30.

Wat is het VZV in onderstaande zin?


De veroordeelde verzette zich tegen het vonnis van de rechter.

a)

tegen het vonnis van de rechter

b)

van de rechter

c)

tegen het vonnis

d)

tegen

31.

Wat is het VZV in onderstaande zin?


Volgens meteorologen hoeven we niet te rekenen op een Elfstedentocht dit jaar.

a)

reken op een Elfstedentocht

b)

op een Elfstedentocht

c)

op een Elfstedentocht dit jaar

d)

dit jaar

32.

Wat is het VZV in onderstaande zin?


Cybercriminelen profiteren vaak van de onwetendheid en onoplettendheid van internetgebruikers.

a)

van de onwetendheid van onoplettendheid

b)

van de onwetendheid en onoplettendheid van internetgebruikers

c)

van de onwetendheid van internetgebruikers

d)

profiteren van

33.

Wat is het VZV in onderstaande zin?


Verschillende organisaties dringen daarom aan op betere voorlichting over veilig internetgebruikers.

a)

op betere voorlichting over veilig internetgebruikers

b)

aan op betere voorlichting over veilig internetgebruikers

c)

over veilige internetgebruikers

d)

dringen aan op

34.

Wat is het VZV in onderstaande zin?


De actrice was niet gediend van de avances van de regisseur.

a)

van de regisseur

b)

niet gediend zijn van

c)

gediend zijn van de avances van de regisseur.

d)

van de avances van de regisseur

35.

Is deze zin actief of passief?


Kom op tijd naar het examenlokaal.

a)

Actief

b)

Passief

36.

De boekentas van Femke werd door het raam gekieperd.

a)

Deze zin is actief.

b)

Deze zin is passief.

37.

Wat wordt bij een passieve zin benadrukt?

a)

het onderwerp dat de handeling uitvoert

b)

de handeling die wordt uitgevoerd

38.

Wanneer je kiest voor levendige, duidelijk zinnen, schrijf je best...

a)

actieve zinnen

b)

passieve zinnen

39.

Welke zinnen zijn formeler en afstandelijker?

a)

actieve zinnen

b)

passieve zinnen

40.

Geef het meervoud van: idee

(a)  

41.

Wat is de juiste schrijfwijze? (meervoud van porie)

a)

poriën

b)

porieën

c)

pories

d)

porien

42.

Bij welke regel hoort volgend woord? Je schrijft een koppelteken...


Sint-Barbaraziekenhuis

a)

tussen botsende klinkers in een samenstelling.

b)

in samengestelde aardrijkskundige namen.

c)

na ex, niet, non, sint of st., aspirant, adjunct en oud.

d)

om herhaling van woorddelen te vermijden.

43.

Geef het meervoud van: bacterie

(a)  

44.

In onderstaande zin staat een spellingsfout. Noteer het foute woord op een correcte manier.


In Park Güell zijn zelfs de bankjes gemaakt uit mozaiek.

(a)  

45.

Bij welke regel hoort: coördinatie?

Je schrijft een trema...

a)

in sommige samengestelde getallen.

b)

in grondwoorden en afleidingen om duidelijk te maken waar de nieuwe lettergreep begint.

c)

omdat het woord eindigt op een -ie die niet is beklemtoond.

46.

Schrijf het juiste woord.


Waregem ligt in ... (provincie).

(a)  

47.

Schrijf het woord volledig:


De jongste leerkracht hier op school is ... (22).

(a)  

48.

Wat is het meervoud van: ruzie?

a)

ruziën

b)

ruzieën

c)

ruzies

49.

Bij welke regel hoort: in- en uitgang?

Je schrijft een koppelteken...

a)

om de herhaling van woorddelen te vermijden.

b)

in samenstellingen met gelijkwaardige delen.

c)

tussen botsende klinkers in een samenstelling.

d)

in samengestelde aardrijkskundige namen.

50.

Schrijf het woord correct:


anti + rook + campagne

(a)  

51.

Schrijf het woord correct:


politie + auto

(a)  

52.

Wat is het meervoud van: olie? Je kan meerdere antwoorden aanduiden.

a)

olies

b)

oliën

c)

olieën

53.

Wat is de persoon op de foto aan het doen?

(a)  

54.

Schrijf het woord opnieuw. Voeg het juiste woord- of hulpteken toe waar het nodig is: ge + interesseerd

(a)  

55.

Schrijf het woord opnieuw. Voeg het juiste woord- of hulpteken toe waar het nodig is: na + apen

(a)  

56.

Schrijf het woord opnieuw. Voeg het juiste woord- of hulpteken toe waar het nodig is: water + dicht

(a)  

57.

Schrijf het woord opnieuw. Voeg het juiste woord- of hulpteken toe waar het nodig is: privé + eigendom

(a)  

58.

Schrijf het woord opnieuw. Voeg het juiste woord- of hulpteken toe waar het nodig is: ru + ine

(a)  

59.

Schrijf het woord opnieuw. Voeg het juiste woord- of hulpteken toe waar het nodig is: uit + zaai + ing

(a)  

60.

Schrijf het woord opnieuw. Voeg het juiste woord- of hulpteken toe waar het nodig is: niet + roker

(a)  

61.

Vul het juiste schooltaalwoord in :

Volgens mijn ... is de diefstal na twaalf uur gepleegd.

(a)  

62.

Deze medicatie heeft totaal geen ...

a)

begrip

b)

effect

c)

verband

d)

categorie

63.

Vul het ontbrekende schooltaalwoord in:

De politie nam ... maatregelen om de hangjongeren op te vangen.



(a)  

64.

We hebben in ... overleg besloten om niet mee te gaan.

a)

feilloos

b)

doeltreffend

c)

gemeenschappelijk

d)

compleet

65.

Vul het ontbrekende schooltaalwoord in :

De buurtbewoners ... dat hij de juwelen gestolen heeft.

(a)  

66.

Behoor jij tot de ... van de zestigplussers?

a)

categorie

b)

analyse

c)

verband

d)

fabel

67.

Vul het bijvoeglijk naamwoord in dat tot dezelfde woordfamilie behoort als TYPEREN:

de ... geluiden

(a)  

68.

Vul het werkwoord in dat tot dezelfde woordfamilie behoort als

HET SYMBOOL:

...

(a)  

69.

De ... van Reinaert de vos kent iedereen.

a)

verband

b)

analyse

c)

categorie

d)

fabel

70.

Welk bijvoeglijk naamwoord behoort tot dezelfde woordfamilie als

HET VERBAND:

de ... palen

(a)  

71.

Duid aan in welke situatie de uitdrukking past.

iemand op de kast jagen

a)

Onze leraar maakte onbedoeld een grappige opmerking over Valentijn.

b)

Ik word boos als de buurjongen grappen blijft maken over mijn te kleine fiets.

c)

Oma haalt graag grapjes uit met opa, maar opa kan er altijd het hardst om lachen.

72.

Duid aan in welke situatie de uitdrukking past.

de plooien gladstrijken

a)

Kira werd boos omdat Marnix haar fiets had gesaboteerd. Marnix stelde beteuterd voor om haar fiets te herstellen.

b)

Stefanie heeft ruzie met haar zus, maar ze wil er geen woord over kwijt.

c)

Door de valpartij was het kaartje helemaal gekreukt. Xena probeerde de ergste kreuken vlak te wrijven.

73.

Duid aan in welke situatie de uitdrukking past.

een flater slaan

a)

Yvan is naar een andere stad verhuisd. In de nieuwe buurt vindt hij moeizaam zijn weg.

b)

De jagers verdeelden hun vangst, maar maakten ruzie over het hertengewei.

c)

Charlot wou haar papa verrassen met een ontbijt op bed voor zijn verjaardag, maar ze had zich vergist van datum.

74.

Duid aan in welke situatie de uitdrukking past.

niet door de beugel kunnen

a)

Je komt nu al voor de vijfde keer te laat thuis. Dit kan zo niet langer.

b)

Hey kerel, ik zag dat je kiezelstenen naar de auto’s gooide. Dit hoort toch niet!

c)

Kai-Han legde de lepels bij de vorken in de besteklade: soms is hij een verstrooide professor.

75.

Duid aan in welke situatie de uitdrukking past.

zijn kat sturen

a)

Nee, ik wilde de juf echt niet laten wachten, maar ik vind mijn rapport niet terug.

b)

Telkens mama het vraagt, belooft de loodgieter de volgende dag te komen, maar ook vandaag kwam hij niet opdagen.

c)

Lies gaf haar mening toen Raisa erom vroeg.

76.

Welke uitdrukking past bij onderstaande situatie?

De opmerking over de gemiste goal kwam hard aan. Cedric had zijn best gedaan, maar de bal vloog over de lat.

a)

de bal misslaan

b)

op iemands tenen trappen

c)

iemand op de kast jagen

d)

iemand een lesje leren

e)

de plooien gladstrijken

77.

Welke uitdrukking past bij onderstaande situatie?

Xander had zijn taak voor geschiedenis niet gemaakt. Tijdens de speeltijd had hij de antwoorden van Jutte snel overgeschreven. Toen meneer Van Gils hem betrapte, volgde er een nul.

a)

de bal misslaan

b)

op iemands tenen trappen

c)

iemand op de kast jagen

d)

iemand een lesje leren

e)

de plooien gladstrijken

78.

Welke uitdrukking past bij onderstaande situatie?

Met het eerste grapje over haar nieuwe jas kon Femke nog lachen, maar het vijfde mopje over haar luipaardenjas was er te veel aan.

a)

de bal misslaan

b)

op iemands tenen trappen

c)

iemand op de kast jagen

d)

iemand een lesje leren

e)

de plooien gladstrijken

79.

Welke uitdrukking past bij onderstaande situatie?

Het heeft lang geduurd, maar na twee dagen bokken hebben ze dan toch gepraat met elkaar.

a)

de bal misslaan

b)

op iemands tenen trappen

c)

iemand op de kast jagen

d)

iemand een lesje leren

e)

de plooien gladstrijken

80.

Welke uitdrukking past bij onderstaande situatie?

Ik vertrouwde die gast niet, maar ik moet toegeven dat ik mis was.

a)

de bal misslaan

b)

op iemands tenen trappen

c)

iemand op de kast jagen

d)

iemand een lesje leren

e)

de plooien gladstrijken

81.

De klimaatopwarming is een ... (= wat op dit moment belangrijk is, in het nieuws komt) thema.

(a)  

82.

We ... (= te weten komen) graag jouw mening.

(a)  

83.

Kan je ons wat informatie ... (= geven, bezorgen) over deze studierichting?

(a)  

84.

Ik vond jouw tekst te ... (= weinig)

(a)  

85.

Je mag de taak morgen indienen, op ... (= iets waaraan moet voldaan worden) dat je het mij vanavond al eens mailt.

(a)  

86.

De onderzoekers ... (= steunen op) de resultaten van de enquête.

(a)  

87.

Een voorzetselvoorwerp en een bijwoordelijke bepaling van elkaar onderscheiden, vind ik ... (= moeilijk)

(a)  

88.

Ken jij een grappig weetje over die zanger? Een ... (= wat de naam heeft, niet echt) fait divers?

(a)  

89.

De Burj Khalifa in Dubai is ... (= groot).

(a)  

90.

Sta jij in voor ... (= de regeling) van de uitstap?

(a)  

91.

Hoe kan je jouw product het best ...? (=reclame maken voor)

(a)  

92.

De leerkracht zal jouw tekst nog ... (= controleren)

(a)  

93.

In de Franse tijd 'imparfait' heb je maar 1 ... (= iets wat afwijkt, niet gewoon is, niet de regel volgt) en dat is être.

(a)