wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Reken Maar blok 8 en rekenautomatisatie

Total questions: 27

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Duid alle getallen aan die deelbaar zijn door 2.

a)

32

b)

509

c)

216

d)

398

e)

420

2.

Duid alle getallen aan die deelbaar zijn door 5.

a)

101

b)

1 340

c)

4 595

d)

257

3.

Duid alle getallen aan die deelbaar zijn door 10.

a)

389

b)

310

c)

1 110

d)

235

e)

5500

4.

Getallen die deelbaar zijn door 10, zijn ook deelbaar door...

a)

2 en 5

b)

enkel 2

c)

enkel 5

d)

Geen

5.

Hoe weet je dat een getal deelbaar is door 4?

a)

Het laatste getal moet een 4 of 8 zijn.

b)

De laatste twee getallen moeten in de tafel tot 4 zitten. Dus 00,04,08,12,16,20,24,28,32,36 of 40.

c)

De laatste twee getallen moeten in de uitgebreide tafel tot 4 zitten. Dus 0,04,08,12,16,20,24,28,32,36,40,44,48,52,56,60,64,68,72,76,80,84,88,92,96

6.

Duid alle getallen aan die deelbaar zijn door 25.

a)

255

b)

3049

c)

301

d)

6 075

e)

7050

7.
Duid het getal aan dat deelbaar is door 100.
a)
2 400
b)
310
c)
1 010
d)
110
8.
Duid het getal aan dat deelbaar is door 1 000.
a)
1 010
b)
2 300
c)
40 020
d)
32 000
9.
Duid het getal aan dat deelbaar is door 2 en 5 en 10. 
a)
10
b)
55
c)
22
d)
11 205
10.

Welk cijfer moet er op de stip staan zodat het getal deelbaar wordt door 4?

2 3 .

a)

4

b)

9

c)

2

d)

8

11.

Welk cijfer moet er op de stip staan zodat het getal deelbaar wordt door 5?

3 7 5 0 .

a)

8

b)

1

c)

3

d)

5

12.

Welk cijfer moet er op de stip staan zodat het getal deelbaar wordt door 25?

1 2 7 7 .

a)

5

b)

0

c)

9

d)

7

13.

1/5 is hetzelfde als:

a)

5%

b)

15%

c)

20%

d)

25%

14.

Rob heeft €300 op zijn spaarrekening staan. De rente is 1%. Hij laat de rente op zijn rekening staan. Welk bedrag staat er aan het eind van het jaar op zijn rekening?

a)

1% van 300 = €3

b)

1% van 300 = 3 >> 300 - 3 = € 297

c)

1% van 300 = 3 >> 300 + 3 = € 303

d)

1% van 300 = 30 >> 300 + 30 = € 330

e)

Geen van bovenstaande

15.

Sparen is:

a)

Geld niet uitgeven

b)

Geld van iemand anders uitgeven

c)

Bij iemand om geld vragen

d)

Iets kopen in de winkel

16.

Dit rokje kost nu...

a)

10% van 60 = 1/10 van 60 = € 6

Het rokje kost 6 euro.

b)

60 euro - 10% = 50euro

Het rokje kost 50 euro

c)

10% van 60 = 1/10 van 60 = € 6

60 - 6 = 54

Het rokje kost 54 euro.

d)

10% van 60 = 1/10 van 60 = € 6

60 + 6 = 66

Het rokje kost 66 euro.

17.
9 op de 10 meldingen van kindermishandeling is onterecht dat is ... %
a)
9%
b)
99%
c)
90%
d)
100%
18.

Om 50% van iets te berekenen moet je door .....

a)

4 delen

b)

2 delen

c)

3 delen

d)

5 delen

19.

Om 25% van iets te bereken moet je door ......

a)

2 delen

b)

3 delen

c)

4 delen

d)

5 delen

20.

Kan je 463 door 3 delen?

a)

ja, want het eindigt op een 3.

b)

nee want 4 +6 + 3 = 13 en dat zit niet in de tafel van 3.

21.

Ik heb 624 paaseitjes. Ik wil dit verdelen in zakjes per 9.

Hoeveel paaseitjes heb ik over?


HOE TEST JE DE DEELBAARHEID DOOR 9?

a)

rest 3

b)

rest 2

c)

rest 1

d)

rest 4

22.

0,3 X 0,4 =

Denken aan cijferen!

Waar staat je komma?

a)

0,12

b)

1,2

c)

0,012

d)

12

23.

0,6 : 0,3 =

Denken aan de staartdeling cijferen.

Mag 0,3 in de deler staan?

Wat doe je?

a)

0,2

b)

2

c)

0,02

d)

20

24.

Ik heb 178 zakrekenmachines gekocht. Ik wil ze verdelen over klassen van 25 leerlingen.

Hoeveel zakrekenmachines heb ik over? (rest)

a)

3

b)

28

c)

22

d)

13

25.

1 deciliter is ongeveer evenveel als

a)
b)
c)
d)
26.

1 liter is evenveel als:

a)

een emmer water

b)

een fles melk

c)

een bad

d)

een druppel water

27.

8dl = .....ml

a)

80 ml

b)

8000 ml

c)

800 ml

d)

0,8 ml