wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nectar H6 + H7 Soorten, populaties & evolutie

Total questions: 20

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.
Enkele organen zijn:
1. de borstvinnen van een dolfijn;
2. de blindedarm bij de mens;
3. de voorpoten van de mol.
Welke van deze organen zijn rudimentair?
a)
alleen 1
b)
alleen 2
c)
alleen 3
d)
alleen 1 en 2
2.

Verwantschap bij gewervelden wordt bewezen door

a)

een analoog bouwplan (analoog = verschillend)

b)

een homoloog bouwplan (homoloog = gelijk)

3.

Kijk naar de afbeelding. Je ziet een poot van een konijn, een poot van een sprinkhaan en een poot van een kikker.

Welke van deze poten vertonen een homologe bouw?

a)

konijn en sprinkhaan

b)

kikker en konijn

c)

kikker en sprinkhaan

4.

Wat is de definitie van natuurlijke selectie

a)

Het best aangepaste organisme in de populatie is het meest succesrijk in het doorgeven van hun genen aan de volgende generaties.

b)

De dieren met de beste aanpassing overleven.

c)

Er vind een verschuiving van de allelfrequentie plaats.

d)

Gedurende lange tijd geen voortplanting tussen de 2 verschillende populaties, zodat er een nieuw soort kan ontstaan

5.

Alle organisme delen één voorouder met elkaar

a)

juist

b)

onjuist

6.

De onderstaande factoren bepalen hoeveel muizen in een gebied kunnen voorkomen. Welke van deze factoren zijn abiotische factoren?

a)

Hoeveelheid regen er jaarlijks in een gebied valt

b)

De boomsoorten die in het gebied voorkomen

c)

Hoeveel roofvogels er in het gebied voorkomen

d)

Hoeveel parasieten er in het gebied voorkomen

7.
De larve van de nachtvlinder heeft een groot aantal bacteriën in zijn verteringskanaal. Deze bacteriën spelen een belangrijke rol bij de vertering van het voedsel van de larven.
Met welke biologische term wordt de relatie tussen de larve en de bacteriën aangeduid?
a)
Mutualisme 
b)
Commensalisme
c)
Parasitisme
d)
Predatie
8.

In deze grafiek is een predator-prooirelatie weergegeven. Ook aan de hand van de y-assen kun je bepalen welke soort de prooi is. Welke van onderstaande beweringen hierover is juist?

a)

Het aantal prooidieren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal predatoren per hectare, dus de linker y-as moet bij de prooidieren horen

b)

Het aantal predatoren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal prooidieren per hectare, dus de rechter y-as moet bij de prooidieren horen

9.

Planten en algen vervullen in een ecosysteem de rol van?

a)

producenten

b)

reducenten

c)

consumenten van de eerste orde

d)

consumenten van de tweede orde

10.

Welke van de onderstaande geeft de juiste weergave van de voedselketen weer?

a)

gras --> koe --> mens

b)

mens --> koe --> gras

c)

mens --> koe --> gras

11.
Uit hoeveel schakels bestaat de kortste voedselketen in de afbeelding?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
12.

Aan welke groep zijn de gorilla’s het meest verwant volgens de stamboom?

a)

aan de apen van de oude wereld

b)

aan de apen van de nieuwe wereld

c)

aan de chimpansees

d)

aan de gibbons

13.

Wat speelt GEEN rol bij genetic drift

a)

Toeval

b)

Grote populatie

c)

Verschuiving van de allel frequentie

d)

Kleine populatie

14.

Door middel van DNA kan worden na gegaan of twee dieren verwant zijn en dus dezelfde voorouder hebben.

a)

juist

b)

onjuist

15.

De wetenschappelijke naam van de buizerd is Buteo lagopus.

Drie andere vogels zijn: Buteo rufinus, Lagopus mutus en Lagopus lagopus.

Welke van deze drie vogels is het nauwst verwant met Buteo lagopus?

a)

Lagopus lagopus

b)

Buteo rufinus

c)

Lagopus mutus

16.
In Noord-Scandinavië leven rendieren voornamelijk van korstmossen.
Welke ecologische rol vervullen de korstmossen en welke de rendieren in NoordScandinavië?
Ecologische rol korstmos: ........1........
Ecologische rol rendier: .......2......
a)
1: producent
2: producent
b)
1: producent
2: consument
c)
1: consument
2: producent
d)
1: consument
2: consument
17.
a)

Haaien zijn eerder ontstaan dan beenvissen

b)

Beenvissen zijn meer verwant aan haaien dan aan amfibieën

c)

Amfibieën zijn een voorouder van zoogdieren

d)

Reptielen en vogels hebben een gemeenschappelijke voorouder

18.

In het onderzoek werden onder andere baleinwalvissen, dwergherten, giraffen, kamelen en zwijnen betrokken. Tussen welke twee van deze diergroepen komt het DNA het minst overeen?

a)

tussen baleinwalvissen en giraffen

b)

tussen zwijnen en baleinwalvissen

c)

tussen zwijnen en giraffen

d)

tussen kamelen en baleinwalvissen

19.

Wat is de definitie van een populatie

a)

een groep individuen van verschillende soorten in een bepaald gebied

b)

een groep organismen in een bepaald gebied

c)

een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied , die zich onderling voortplanten

d)

een groep individuen die veel op elkaar lijken

20.

Wat is een voorbeeld van een tolerantiegebied?

a)

De temperatuur in een gebied die varieert tussen 0o C en 30o C.

b)

De zuurgraad (pH) van het water moet voor een bepaalde vis tussen de 5 en 7 zijn om daar te kunnen leven.

c)

De verspreiding van herten op de Veluwe is willekeurig in groepen.

d)

In de Waddenzee leven er gemiddeld 0.6 krabben per m3.