wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

m/h Extra oefening grammatica Kapitel 3,4,5

Total questions: 32

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Junge (jongen): welk lidwoord krijgt dit woord?

a)

der

b)

die

c)

das

2.

Mädchen: welk lidwoord krijgt dit woord?

a)

der

b)

das

c)

die

3.

Lampe: welk lidwoord krijgt dit woord?

a)

die

b)

das

c)

der

4.

Mannschaft: welk lidwoord krijgt dit woord?

a)

der

b)

das

c)

die

5.

Zeitung: welk lidwoord krijgt dit woord?

a)

die

b)

das

c)

der

6.

Pferd: wat voor lidwoord krijgt dit woord?

a)

das

b)

der

c)

die

7.

Einheit: welk lidwoord krijgt dit woord?

a)

die

b)

das

c)

der

8.

Oma: welk lidwoord krijgt dit woord?

a)

das

b)

die

c)

der

9.

Hoe maak je meestal meervoudsvormen van mannelijke woorden?

a)

Umlaut + e

b)

+ (e) n

c)

woorden blijven hetzelfde, alleen het lidwoord verandert

d)

+ s

10.

Maak de meervoudsvorm van: das Heft

(a)  

11.

Hoe maak je meestal de meervoudsvorm van vrouwelijke woorden?

a)

+ s

b)

blijven onveranderd, alleen het lidwoord verandert

c)

Umlaut + e

d)

+ (e) n

12.

Maak het meervoud van: die Freundin

(a)  

13.

Maak het meervoud van: der Onkel

(a)  

14.

Maak het meervoud van: der Opa

(a)  

15.

Wat is het geheugensteuntje om de uitgangen van de werkwoorden in de tegenwoordige tijd te onthouden?

(a)  

16.

Eindigt de stam van een werkwoord op d of t bij du/er/sie/es/ihr eerst een extra (a)  

17.

Vertaal: jij heet (heißen)

(a)  

18.

Vertaal: ik speel (spielen)

(a)  

19.

Vertaal: hij antwoordt (antworten)

(a)  

20.

Vertaal: jullie praten (reden)

(a)  

21.

Hoe maak je een voltooid deelwoord van een zwak werkwoord?

a)

stam + t

b)

ge + stam + t

c)

-en

d)

feesttenten

22.

Onthouden: geen geklier met...

(a)  

23.

Maak het voltooid deelwoord van: studieren

(a)  

24.

Vertaal: gezwommen (sterk!)

(a)  

25.

Vertaal: gevreten (sterk!)

(a)  

26.

Vertaal: gekocht (kaufen)

(a)  

27.

Vrouwelijke woorden en meervoudswoorden krijgen een -e achter ein:

a)

waar

b)

niet waar

28.

Vertaal: mijn moeder

(a)  

29.

Vertaal: jouw eten (das)

(a)  

30.

Vertaal: hun patat (die)

(a)  

31.

Vertaal: jullie zus

(a)  

32.

Vertaal: haar water (das)

(a)