wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal Thema 6 les 7

Total questions: 18

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Schrijf de stam van het werkwoord : fietsen

(a)  

2.

Schrijf de stam van het werkwoord : werken

(a)  

3.

Schrijf de stam van het werkwoord : horen

(a)  

4.

Schrijf de stam van het werkwoord : krijgen

(a)  

5.

Schrijf de stam van het werkwoord : kijken

(a)  

6.

Wat is de stam van het werkwoord?

a)

Het hele werkwoord -en

b)

Het hele werkwoord

7.

Wat is de persoonsvorm van deze zin?


Jantje loopt op straat.

a)

Jantje

b)

Loopt

c)

Op straat

d)

Geen idee

8.

Wat is de persoonsvorm van deze zin?


De hond blaft de hele dag.

a)

De hond

b)

dag

c)

Blaft

d)

Geen idee

9.

De persoonsvorm staat in een vraagzin vooraan.

a)

waar

b)

niet waar

10.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?


In de winter vind ik het te koud.

a)

In

b)

de

c)

winter

d)

vind

e)

ik

11.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?


Ik help jou altijd op vrijdag.

a)

Ik

b)

help

c)

jou

d)

op vrijdag

12.

Schrijf de stam en de uitgang.


Dora houdt van van stilte. (houden)

a)

houd + t

b)

houdt

c)

houdt + t

d)

houd

13.

Schrijf de stam en de uitgang.


Zij zwijgt liever. (zwijgen)

a)

zwijgt

b)

zwijg + t

c)

zwijgt + t

d)

zwijg

14.

Schrijf de stam en de uitgang.


Zij vindt het stom. (vinden)

a)

vindt

b)

vind+ t

c)

vindt+ t

d)

vind

15.

Schrijf de stam en de uitgang.


Ze schudt haar hoofd.

a)

schud + t

b)

schudt + t

c)

schudt

d)

schud

16.

Schrijf de stam en de uitgang.


Ze geeft een knipoog. (geven)

a)

geef + t

b)

geeft

c)

geeft + t

d)

geef

17.

Schrijf de stam en de uitgang.


Ze groet mij vrolijk. (groeten)

a)

groet

b)

groet + t

18.

Schrijf de stam en de uitgang.


Ze antwoordt heel snel. (antwoorden)

a)

antwoord + t

b)

antwoord

c)

antwoordt

d)

antwoordt + t