Font size
WorksheetsTaal Thema 6 les 7
Total questions: 18
Worksheet time: 18mins
Schrijf de stam van het werkwoord : fietsen
(a)
Schrijf de stam van het werkwoord : werken
(a)
Schrijf de stam van het werkwoord : horen
(a)
Schrijf de stam van het werkwoord : krijgen
(a)
Schrijf de stam van het werkwoord : kijken
(a)
Wat is de stam van het werkwoord?
Het hele werkwoord -en
Het hele werkwoord
Wat is de persoonsvorm van deze zin?
Jantje loopt op straat.
Jantje
Loopt
Op straat
Geen idee
Wat is de persoonsvorm van deze zin?
De hond blaft de hele dag.
De hond
dag
Blaft
Geen idee
De persoonsvorm staat in een vraagzin vooraan.
waar
niet waar
Wat is de persoonsvorm in deze zin?
In de winter vind ik het te koud.
In
de
winter
vind
ik
Wat is de persoonsvorm in deze zin?
Ik help jou altijd op vrijdag.
Ik
help
jou
op vrijdag
Schrijf de stam en de uitgang.
Dora houdt van van stilte. (houden)
houd + t
houdt
houdt + t
houd
Schrijf de stam en de uitgang.
Zij zwijgt liever. (zwijgen)
zwijgt
zwijg + t
zwijgt + t
zwijg
Schrijf de stam en de uitgang.
Zij vindt het stom. (vinden)
vindt
vind+ t
vindt+ t
vind
Schrijf de stam en de uitgang.
Ze schudt haar hoofd.
schud + t
schudt + t
schudt
schud
Schrijf de stam en de uitgang.
Ze geeft een knipoog. (geven)
geef + t
geeft
geeft + t
geef
Schrijf de stam en de uitgang.
Ze groet mij vrolijk. (groeten)
groet
groet + t
Schrijf de stam en de uitgang.
Ze antwoordt heel snel. (antwoorden)
antwoord + t
antwoord
antwoordt
antwoordt + t
