wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Formatieve toets - Erfelijkheid en Evolutie

Total questions: 63

Worksheet time: 49mins

Name
Class
Date
1.

Welke stof in een celkern bevat de informatie voor erfelijke eigenschappen?

(a)  

2.

Hoeveel chromosomen bevat een levercel van een mens?

(a)  

3.

Hoeveel chromosomen bevat een eicel van een mens?

(a)  

4.

Een cel van de miereneter is ontstaan door meiose. Is het mogelijk dat deze cel 27 chromosomen bevat?

a)

Ja

b)

Nee

5.

Een cel van de miereneter is ontstaan door mitose. Is het mogelijk dat deze cel 27 chromosomen bevat?

a)

Ja

b)

Nee

6.

Bij de mens bevat een bepaald gen de informatie voor het produceren van een enzym in speeksel.

Bevat een cel in je lever dit gen?

a)

Ja

b)

Nee

7.

Bij de mens bevat een bepaald gen de informatie voor het produceren van een enzym in speeksel.

Vindt genexpressie van dit gen plaats in je maag?

a)

Ja

b)

Nee

8.

Hebben de larve en het volwassen dier hetzelfde fenotype?

a)

Ja

b)

Nee

9.

Hebben de larve en het volwassen dier hetzelfde genotype?

a)

Ja

b)

Nee

10.

Bij mensen is de kleur van de iris een menselijke eigenschap. Bij sommige mensen is de kleur van de iris bruin. De bruine kleur wordt veroorzaakt door het eiwit melanine. Leg met dit voorbeeld uit dat door genexpressie het fenotype zichtbaar wordt.

4 lines
11.

De twee allelen van een allelenpaar bevatten informatie voor dezelfde erfelijke eigenschap.

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

De informatie in de twee allelen van een allelenpaar zijn altijd gelijk

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

Bij geslachtelijke voortplanting ontstaan nieuwe genotypen in de nakomelingschap

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Alle zaadcellen van één man hebben hetzelfde genotype

a)

Juist

b)

Onjuist

15.

Na de bevruchting heeft een eicel hetzelfde genotype als voor de bevruchting

a)

Juist

b)

Onjuist

16.

Het allel voor dwerggroei (B) is bij mensen dominant over het allel voor normale groei.

Persoon 1 - dwerggroei

Persoon 2 - normale groei


Kan persoon 1 heterozygoot zijn voor de lichaamsgroei?

a)

Ja

b)

Nee

17.

Het allel voor dwerggroei (B) is bij mensen dominant over het allel voor normale groei.

Persoon 1 - dwerggroei

Persoon 2 - normale groei


Kan persoon 2 heterozygoot zijn voor de lichaamsgroei?

a)

Ja

b)

Nee

18.

Het allel voor dwerggroei (B) is bij mensen dominant over het allel voor normale groei.

Persoon 1 - dwerggroei

Persoon 2 - normale groei


Kan persoon 1 homozygoot zijn voor de lichaamsgroei?

a)

Ja

b)

Nee

19.

Het allel voor dwerggroei (B) is bij mensen dominant over het allel voor normale groei.

Persoon 1 - dwerggroei

Persoon 2 - normale groei


Kan persoon 2 homozygoot zijn voor de lichaamsgroei?

a)

Ja

b)

Nee

20.

Het allel voor dwerggroei (B) is bij mensen dominant over het allel voor normale groei.

Persoon 1 - dwerggroei

Persoon 2 - normale groei


Wat zijn de mogelijke genotypen voor de lichaamsgroei voor persoon 1?

a)

Bb

b)

BB

c)

bb

21.

Welke tweeling lijkt het meest op elkaar?

a)

eeneiige tweeling

b)

twee-eiige tweeling

22.

Als in een lichaamscel mutaties plaatsvinden, heeft dit meestal weinig gevolgen. Noem een uitzondering op deze regel.

4 lines
23.

Bij een man zijn mutaties ontstaan in een darmcel. Als gevolg hiervan bevind zich na een tijdje een gezwel in een long. Kun je hieruit de conclusie trekken dat deze man waarschijnlijk gedurende een groot deel van zijn leven heeft gerookt?

a)

Ja

b)

Nee

24.

Is de ontwikkeling van bacteriën naar eencellige planten een voorbeeld van evolutie?

a)

Ja

b)

Nee

25.

Als bij een soort veel verschillende genotypen voorkomen, heeft deze soort dan een kleine of grote overlevingskans?

a)

Kleine overlevingskans

b)

Grote overlevingskans

26.

Rode oeakari's hebben een rood gezicht. Hoe feller rood het gezicht, hoe fitter het dier is. Zieke dieren hebben een bleek gezicht. De apen met het felst rode gezicht zijn het best in staat om te overleven en krijgen de meeste nakomelingen.

Is het verschijnsel dat rode oeakari's met een fel rood gezicht meer nakomelingen krijgen dan die met een bleek gezicht een voorbeeld van natuurlijke selectie?

a)

Ja

b)

Nee

27.

In de loop van de evolutie ontstond bij een soort vaak een nieuwe vorm met een afwijkend uiterlijk. Soms evolueerde (veranderde) de soort hierdoor. Maar soms ontwikkelde de nieuwe vorm zich tot een aparte soort.


Wanneer kan het ontstaan van het afwijkende uiterlijk hebben geleid tot het evolueren van de soort?

a)

Als de organismen van de oorspronkelijke soort uitstierven en de organismen met het afwijkende uiterlijk bleven leven

b)

Als de organismen met het afwijkende uiterlijk uitstierven en de organismen van de oorspronkelijke soort bleven leven

28.

In de loop van de evolutie ontstond bij een soort vaak een nieuwe vorm met een afwijkend uiterlijk. Soms evolueerde (veranderde) de soort hierdoor. Maar soms ontwikkelde de nieuwe vorm zich tot een aparte soort.


Wanneer kan de afwijkende vorm zich ontwikkelen tot een nieuw soort?

a)

Als organismen met het afwijkende uiterlijk zich blijven voortplanten met organismen van de oorspronkelijke soort

b)

Als de organismen met het afwijkende uiterlijk zich gescheiden ontwikkelen van de organismen van de oorspronkelijke soort

29.

Welke van de volgende organismen zal het best fossiliseren?

a)

Een worm die na sterven aan de lucht blootgesteld blijft

b)

Een worm die na het sterven van de lucht wordt afgesloten door een laag klei of zand

c)

Een kever die na het sterven aan de lucht blootgesteld blijft

d)

Een kever die na het sterven van de lucht wordt afgesloten door een laag klei of zand

30.

Anouk zegt dat fossielen van eencelligen kunnen voorkomen in zeer oude gesteentelagen.

Lisa zegt dat fossielen van eencelligen kunnen voorkomen in de jongste gesteentelagen.

Maartje zegt dat fossielen van zoogdieren kunnen voorkomen in de jongste gesteentelagen.

Wie hebben gelijk?

a)

Anouk en Lisa

b)

Anouk en Maartje

c)

Lisa en Maartje

d)

Anouk, Lisa en Maartje

31.

Wat zijn rudimentaire organen?

a)

Organen met veel overeenkomst in bouw, maar met verschillende functie

b)

Organen die geen functie meer hebben en niet of nauwelijks tot ontwikkeling komen

c)

Organen die alleen bij uitgestorven soorten een functie hadden en tot ontwikkeling kwamen

32.

De DNA-sequenties van verschillende soorten kunnen veel overeenkomst vertonen. Waarom is deze overeenkomst een argument voor de evolutietheorie?

a)

Omdat de ze overeenkomst aantoont dat soorten veranderen, doordat organismen met afwijkende vormen blijven voortbestaan en organismen met een oorspronkelijke vorm uitsterven

b)

Omdat hieruit geleid kan worden hoe lang geleden verschillende soorten zijn ontstaan

c)

Omdat deze overeenkomst het aannemelijk maakt dat verschillende soorten een gemeenschappelijke voorouder hebben.

33.

Cebochoerus is de voorouder van alle varkensachtigen

a)

Juist

b)

Onjuist

34.

Het wild zwijn vertoont meer verwantschap met het hertzwijn dan met het gewoon wrattenzwijn

a)

Juist

b)

Onjuist

35.

Hyotherium is eerder ontstaan dan de reuzenpecari

a)

Juist

b)

Onjuist

36.

Dicoryphochoerus is eerder uitgestorven dan Bunolisteriodon

a)

Juist

b)

Onjuist

37.

Welke vorm van biotechnologie zie je in de afbeelding een voorbeeld?

(a)  

38.

Van welke vorm van biotechnologie zie je in de afbeelding een voorbeeld?

(a)  

39.

Wordt bij de productie van brood biotechnologie toegepast?

a)

Ja

b)

Nee

40.

Is het schaap Dolly een transgeen dier?

a)

Ja

b)

Nee

41.

Welk van de drie genummerde schapen heeft hetzelfde genotype als Dolly?

a)

Schaap 1

b)

Schaap 2

c)

Schaap 3

42.

Door hermochromatose komt te veel ijzer voor in cellen. Het allel voor hemochromatose (r) is recessief. Twee ouders zijn heterozygoot voor hemochromatose. Hoe groot is de kans dat een kind van deze ouders ziek wordt van hemochromatose?

(a)  

43.

FH is een erfelijke ziekte. FH-patiënten hebben te veel cholesterol in hun bloed en hebben daardoor al op jonge leeftijd een grote kans op een hartinfarct. FH-patiënten zijn heterozygoot. De kans om van beide ouders een gemuteerd allel te erven, is zeer klein. Deze kinderen sterven meestal zeer jong.

Peter is heterozygoot voor het gen dat invloed heeft op het cholesterolgehalte. Hannah heeft het FH-allel niet in haar cellen.

Hoe groot is de kans dat een kind van Peter en Hannah FH-patiënt zal zijn?

(a)  

44.

In ..... baarmoederslijmvlies kan een embryo zich beter innestelen. Wat moet er op de puntjes staan?

a)

Dik

b)

Dun

45.

Hoe vaak is er een eicel "rijp"?

a)

Eén keer per dag

b)

Eén keer per maand

c)

Er zijn altijd rijpe eicellen

d)

Geen van deze antwoorden is goed

46.

Een embryo is een:

a)

ongeboren, nog heel klein kindje in de eerste weken na de bevruchting

b)

een pasgeboren baby

c)

andere naam voor de baarmoeder

d)

een ongeboren baby vlak voor de bevalling

47.

Er verschillende fase bij de bevalling.

1 Uitdrijving.

2 Ontsluiting.

3 Nageboorte.

Wat is de juiste volgorde tijdens een bevalling?

a)

1 - 2 - 3

b)

2 - 3 - 1

c)

2 - 1 - 3

d)

3 - 1 - 2

48.

Tijdens welke fase van de bevalling scheuren de vruchtvliezen open en loopt het vruchtwater weg?

a)

Ontsluiting

b)

Nageboorte

c)

Uitdrijving

49.

De geboorte van een kind begint met samentrekkingen van spieren in de baarmoederwand. Hoe heten deze samentrekkingen?

4 lines
50.

Tijdens welke fase van de geboorte breken vruchtvliezen en loopt het vruchtwater weg?

4 lines
51.

Tijdens welke fase van de geboorte verlaten de vruchtvliezen het moederlichaam?

4 lines
52.

Wat is de correcte aminozuursequentie voor de mRNA code AUGCCAGUAUGA?

a)

Met-Pro-Val-Stop

b)

Met-Pro-Arg-Stop

c)

Met-Tyr-Gly-His

d)

Tyr-Gly-Arg-His

53.

Maak de transcriptie van de DNA-sequentie : TACGTTACT

a)

AUGGATUGA

b)

ATGCAATGA

c)

AUGCAAUGA

d)

TACGTTACT

54.

Wat is de juiste volgorde?

a)

Proteïne-->mRNA-->DNA

b)

Proteïne-->DNA-->mRNA

c)

mRNA-->DNA-->Proteïne

d)

DNA-->mRNA-->Proteïne

55.

Waar vindt de translatie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

56.

Waar vindt de transcriptie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

57.

Het gebied op het DNA dat codeert voor het vormen van een bepaald eiwit wordt ook wel …. genoemd

a)

Chromosoom

b)

Codon

c)

DNA

d)

Gen

e)

Anticodon

58.

Als het DNA codon TAC is, wat is dan het aminozuur dat hierbij hoort:

a)

Met

b)

Lys

c)

Pro

d)

Arg

59.

Een stukje DNA bestaat uit de volgende nucleotiden (alleen stikstofbasen weergegeven): TTA GCG GCT ATA ACG. Welk stukje RNA ontstaat bij transcriptie?

a)

UUA GCG GCU AUA ACG

b)

AAT CGC CGA TAT TGC

c)

AAU CGC CGA UAU UGC

d)

UUT GCG GCT ATA ACG

60.

Wat zijn de juiste basenparen (nucleotidenparen)?

a)

A-T en G-C

b)

A-G en T-C

c)

C-A en T-G

d)

A-U en G-T

61.
Een recessieve afwijking bij de mens is de erfelijke doofstomheid. De eigenschap is niet X-chromosomaal.
Hoe groot is de kans op het ontbreken van deze afwijking bij de kinderen uit een huwelijk van twee mensen die heterozygoot zijn voor deze eigenschap?
a)
3/4
b)
1/3
c)
1/4
d)
1/2
62.
Bij Drosophila is het allel voor gewone lichaamskleur dominant over het allel voor een zwarte lichaamskleur. Het gen is niet X-chromosomaal. Twee vliegen werden gekruist en kregen 99 gewone en 32 zwarte nakomelingen.
Wat is het genotype van de ouders? En wat is het fenotype van de ouders?
a)
genotype: Aa x aa en fenotype: gewoon x zwart
b)
genotype: Aa x Aa en fenotype: zwart x zwart
c)
genotype: Aa x Aa en fenotype: gewoon x gewoon
d)
genotype: AA x aa en fenotype: gewoon x zwart
63.

Bij cavia’s is de aanleg voor zwart haar dominant over die voor wit haar. Twee cavia’s (heterozygoot voor deze aanleg), worden met elkaar gekruist. Hoe groot is het percentage nakomelingen in de F1 dat wit haar zal hebben?

(a)