wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1KLT - herhaling 2de trimester

Total questions: 49

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Hoe noemen we de Romeinse leerkracht voor kinderen van 7 tot 11 à 12 jaar?

a)

een ludimagister

b)

een grammaticus

c)

een rhetor

d)

een paedagogus

2.

Hoe noemen we de Romeinse leerkracht voor kinderen van 11 à 12 jaar tot 15 à 16 jaar?

a)

een ludimagister

b)

een grammaticus

c)

een rhetor

d)

een paedagogus

3.

Hoe noemen we de Romeinse leerkracht voor kinderen vanaf 15 à 16 jaar?

a)

een ludimagister

b)

een grammaticus

c)

een rhetor

d)

een paedagogus

4.

Hoe noemen we de vrouw die jonge kinderen uit de hoge sociale klasse zoogt en verzorgt?

a)

nutrix

b)

voedster

c)

paedagogus

d)

ludimagister

5.

Op welke materialen kon een Romein schrijven?

a)

papyrus

b)

perkament

c)

tabula

d)

abacus

6.

Geef het Latijnse woord voor de pen waarmee leerlingen letters konden krassen in de was.

(a)  

7.

Geef het Latijnse woord voor een Romeins telraam.

(a)  

8.

Welke naamvallen kunnen voorkomen na een voorzetsel?

a)

nominatief

b)

accusatief

c)

genitief

d)

datief

e)

ablatief

9.

Welke naamval wordt gebruikt voor het MV?

a)

nominatief

b)

accusatief

c)

genitief

d)

datief

e)

ablatief

10.

Welke naamval wordt gebruikt voor de BWB zonder voorzetsel?

a)

nominatief

b)

accusatief

c)

genitief

d)

datief

e)

ablatief

11.

Welke naamval wordt gebruikt voor het LV?

a)

nominatief

b)

accusatief

c)

genitief

d)

datief

e)

ablatief

12.

Welke naamval wordt gebruikt voor het O?

a)

nominatief

b)

accusatief

c)

genitief

d)

datief

e)

ablatief

13.

Welke naamval wordt gebruikt voor het NWD?

a)

nominatief

b)

accusatief

c)

genitief

d)

datief

e)

ablatief

14.

Voor welke functie wordt de genitief gebruikt?

a)

O

b)

LV

c)

BVB

d)

BWB

e)

MV

15.

Welke naamval wordt gebruikt voor de aanspreking? Antwoord met één woord!

(a)  

16.

In welke naamval staat het persoonlijk voornaamwoord "ei"? Als er meerdere mogelijkheden zijn, moet je die allemaal aanduiden.

a)

nominatief

b)

accusatief

c)

genitief

d)

datief

e)

ablatief

17.

In welke naamval staat het persoonlijk voornaamwoord "nobis"? Als er meerdere mogelijkheden zijn, moet je die allemaal aanduiden.

a)

nominatief

b)

accusatief

c)

genitief

d)

datief

e)

ablatief

18.

In welke naamval staat het persoonlijk voornaamwoord "te"? Als er meerdere mogelijkheden zijn, moet je die allemaal aanduiden.

a)

nominatief

b)

accusatief

c)

genitief

d)

datief

e)

ablatief

19.

In welke naamval staat het persoonlijk voornaamwoord "nos"? Als er meerdere mogelijkheden zijn, moet je die allemaal aanduiden.

a)

nominatief

b)

accusatief

c)

genitief

d)

datief

e)

ablatief

20.

Hoe noemen we de wijs die gebruikt wordt voor de bevelvorm? Antwoord met één woord!

(a)  

21.

Hoe heette de koning die de goden op de proef wou stellen door zijn eigen zoon als maaltijd voor te schotelen?

(a)  

22.

Welke rol hoort bij de ontledingsvraag "Hoe ... ?"

a)

wijze

b)

middel

c)

tijd

d)

plaats

e)

richting

23.

Welke rol hoort bij de ontledingsvraag "Waarmee ... ?"

a)

wijze

b)

middel

c)

tijd

d)

plaats

e)

richting

24.

Welke rol hoort bij de ontledingsvraag "Waar ... ?"

a)

wijze

b)

middel

c)

tijd

d)

plaats

e)

richting

25.

Welke rol hoort bij de ontledingsvraag "Waarheen ... ?"

a)

wijze

b)

middel

c)

tijd

d)

plaats

e)

richting

26.

Welke god bezorgde Odysseus het toverkruid dat ervoor zorgde dat hij niet in een varken veranderde?

(a)  

27.

Geef de naam van de tovenares die Odysseus' kameraden in varkens veranderde.

(a)  

28.

"Nadat zijn kameraden gered waren, keerde Odysseus zo snel mogelijk terug naar huis." Is deze stelling juist of fout?

a)

juist

b)

fout

29.

Hoe noemen we een Romeins appartementencomplex dat soms wel vier verdiepingen hoog kon zijn? Antwoord met één Latijns woord.

(a)  

30.

Hoe noemen we de keuken bij de Romeinen?

a)

culina

b)

taberna

c)

vestibulum

d)

cubiculum

e)

triclinium

31.

Hoe noemen we de eetkamer bij de Romeinen?

a)

atrium

b)

peristylium

c)

vestibulum

d)

cubiculum

e)

triclinium

32.

Hoe noemen we de siertuin bij de Romeinen?

a)

atrium

b)

peristylium

c)

vestibulum

d)

cubiculum

e)

tablinum

33.

Hoe noemen we de ingang van een Romeinse woning?

a)

atrium

b)

peristylium

c)

vestibulum

d)

cubiculum

e)

tablinum

34.

Hoe noemen we de werkkamer van de meester?

a)

atrium

b)

peristylium

c)

vestibulum

d)

cubiculum

e)

tablinum

35.

Hoe noemen we de stadswoning voor rijke Romeinen?

a)

villa

b)

domus

c)

insula

d)

porticus

e)

taberna

36.

Hoe noemen we de opvoeder die Romeinse kinderen naar school bracht?

a)

een ludimagister

b)

een grammaticus

c)

een rhetor

d)

een paedagogus

37.

Welk schrijfmateriaal is het duurst?

a)

papyrus

b)

perkament

c)

tabula

38.

Hoe noemen we de slaapkamer bij de Romeinen?

a)

atrium

b)

peristylium

c)

vestibulum

d)

cubiculum

e)

tablinum

39.

Geef de Latijnse benaming voor de openbare toiletten.

(a)  

40.

Geef de Latijnse benaming voor een zuilengalerij op straat.

(a)  

41.

In welke dieren werden de vrienden van Odysseus veranderd volgens de Latijnse tekst die we gelezen hebben?

a)

varkens

b)

leeuwen

c)

beren

d)

apen

e)

wolven

42.

Hoe kon de tovenares haar gasten in dieren veranderen?

a)

door gif in de wijn te mengen

b)

door een toverkruid onder het eten te mengen

c)

met een toverstok

d)

met een toverspreuk

e)

met een toverzalf

43.

In welke naamval staat het persoonlijk voornaamwoord "mihi"? Als er meerdere mogelijkheden zijn, moet je die allemaal aanduiden.

a)

nominatief

b)

accusatief

c)

genitief

d)

datief

e)

ablatief

44.

Geef de gevraagde vorm van het model, niet gesplitst:

tegere, imp. praes. enk.

(a)  

45.

Geef de gevraagde vorm van het model, niet gesplitst:

capere, ind. praes. 2 mv.

(a)  

46.

Geef de gevraagde vorm van het model, niet gesplitst:

amare, ind. praes. 1 enk.

(a)  

47.

Geef de gevraagde vorm van het model, niet gesplitst:

adj. 2de klasse, gen. m. mv.

(a)  

48.

Geef de gevraagde vorm van het model, niet gesplitst:

subst. 2de klasse, abl. o. enk.

(a)  

49.

Geef de gevraagde vorm van het model, niet gesplitst:

subst. 1ste klasse, dat. v. mv.

(a)