wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lever en nieren

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

De tekening stelt de lever voor met aansluitende bloedvaten.

Voor deze bloedvaten geldt: Het glucosegehalte in bloedvat 1 is gemiddeld hoger dan dat in 2 en 3.

Het ureumgehalte in bloedvat 2 is gemiddeld hoger dan dat in 1 en 3.


Hoe heten de bloedvaten?

a)

1 = leverader, 2 = leverslagader, 3 = poortader

b)

1 = poortader, 2 = leverader, 3 = leverslagader

c)

1 = leverader, 2 = poortader, 3 = leverslagader

d)

1 = poortader, 2 = leverslagader, 3 = leverader

2.

De menselijke lever breekt overtollige aminozuren af. Als eindproduct(en) van deze afbraak wordt (worden) dan gevormd:

a)

alleen ureum

b)

ammoniak en ureum

3.

Bij een bepaalde ziekte komen gelijktijdig de volgende verschijnselen voor:


1) de urine is donkergeel tot bruin gekleurd

2) het oogwit is geel gekleurd

3) de ontlasting is bleek van kleur


Waardoor zullen deze verschijnselen waarschijnlijk veroorzaakt zijn?

a)

doordat de galwegen verstopt zijn

b)

doordat de urineleiders verstopt zijn

c)

doordat de nieren rode bloedcellen doorlaten

d)

doordat de lever te veel ureum afgeeft

4.

Verschillende aminozuren kunnen bij de mens in de lever worden gesynthetiseerd.


Van welke stof of stoffen zijn de daarbij gebruikte NH2-groepen afkomstig?

a)

van nitraten

b)

van ureum

c)

van koolhydraten

d)

van andere aminozuren

5.

Enkele stoffen in het lichaam van de mens:


essentiële aminozuren, glucagon, glucose en ureum


Welke van deze stoffen worden in de lever gevormd?

a)

essentiële aminozuren en glucagon

b)

essentiële aminozuren en ureum

c)

glucagon en glucose

d)

glucose en ureum

6.

De vorming van ureum vindt plaats in de ......1.......


Ureum ontstaat uit de verbranding van ........2........

a)

1 = lever / 2 = aminozuren

b)

1 = lever / 2 = glycogeen

c)

1 = nieren / 2 = aminozuren

d)

1 = nieren / 2 = glycogeen

7.

De gal wordt uitgescheiden door de lever. De galkleurstoffen die in de gal zitten zijn in de lever vrijgekomen bij de afbraak van

a)

galzure zouten

b)

vetten

c)

rode bloedlichaampjes

d)

lipase

8.

De gemiddelde concentratie ureum per ml bloed wordt bepaald op de plaatsen 1 t/m 4.


In welke van onderstaande reeksen is de concentratie ureum gerangschikt van een lage naar een hoge concentratie?

(laag ---> hoog)

a)

2 - 1 - 3 - 4

b)

2 - 1 - 4 - 3

c)

3 - 1 - 4 - 2

d)

3 - 4 - 1 - 2

9.

Hieronder een aantal stoffen die in het lichaam van de mens voorkomen:


1) aminozuren

2) koolhydraten

3) eiwitten


Van welke van deze stoffen kan in de lever de concentratie in het bloed gewijzigd worden?

a)

alleen van 1

b)

alleen van 2

c)

alleen van 2 en 3

d)

van 1, 2 en 3

10.

Het is mogelijk dat bij een persoon die normale hoeveelheden koolhydraten eet, toch glucose in de urine aanwezig is.


Een directe oorzaak hiervan is

a)

een gering glucoseverbruik van het lichaam

b)

een te hoog glucosegehalte van het bloedplasma

c)

een te grote doorlaatbaarheid van de nierkapsels voor glucose

d)

een verhoogde activiteit van de cellen van de wand van de nierkanaaltjes

11.

Bij een proefpersoon wordt extra water aan het bloed toegevoegd. Welk gevolg zal dit hebben voor de osmotische waarde van de voorurine en die van de urine:

De osmotische waarde van de voorurine .....1.....

De osmotische waarde van de urine ......2......

a)

1 = stijgt

2 = stijgt

b)

1 = daalt

2 = daalt

c)

1 = stijgt

2 = daalt

d)

1 = daalt

2 = stijgt

12.

Per liter bevat urine, vergeleken met voorurine:

a)

een grotere hoeveelheid ureum

b)

een kleinere hoeveelheid zouten

c)

een grotere hoeveelheid suikers

d)

een kleinere hoeveelheid galkleurstoffen

13.

Welk cijfer geeft de urineleider aan?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

14.

De tekening stelt een niereenheid voor. In het nierkapsel verlaat +- 20% van de bloedvloeistof de bloedbaan.

Op welke van de aangegeven plaatsen is de hoeveelheid (opgelost en aan hemoglobine gebonden) zuurstof per volume-eenheid het hoogst?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

15.

De vloeistof die uit het bloed in het kapsel van Bowman komt:

a)

is geconcentreerde urine

b)

is bloedplasma zonder plasma-eiwitten

c)

bevat geen glucose

d)

bestaat voornamelijk uit voor het lichaam onbruikbare stoffen

16.

De tekening stelt een niereenheid (nefron) voor. Op welke van de aangegeven plaatsen is het eiwitgehalte het hoogst?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

17.

Welk proces in de nieren zorgt voor het verschil in glucoseconcentratie tussen voorurine en urine?

a)

diffusie

b)

osmose

c)

actief transport

18.

Het antidiuretisch hormoon (ADH) bevordert de resorptie van water in de nieren. Indien er meer ADH hormoon aanwezig is dan normaal, dan zal er:

a)

meer voorurine en meer urine dan normaal gevormd worden

b)

evenveel voorurine en meer urine dan normaal gevormd worden

c)

evenveel voorurine en minder urine dan normaal gevormd worden

d)

minder voorurine en minder urine dan normaal gevormd worden

19.

Het glucosegehalte van het bloed dat de nieren verlaat, is kleiner dan het glucosegehalte van het bloed dat de nieren binnenkomt.


Dit wordt vooral veroorzaakt doordat glucose in de nier wordt:

a)

gedissimileerd

b)

opgeslagen

c)

uitgescheiden

d)

geresorbeerd