wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Erfelijkheid

Total questions: 29

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
2.
De Indische wandelende tak (zie de afbeelding) is een insect dat je als huisdier kunt houden. Een volwassen vrouwtje leeft enkele maanden en legt elke dag twee of drie eieren. De eieren hoeven niet te worden bevrucht. Uit elk eitje ontwikkelt zich een vrouwtje dat precies op de moeder lijkt.
Van welke vorm van voortplanting is hier sprake?
a)
Geslachtelijke voortplanting
b)
Ongeslachtelijke voortplanting
3.
Zaadcellen worden gevormd door ?
a)
Meiose 
b)
Mitose 
c)
Gewone celdeling 
4.
Hoe wordt het genoemd al allen dieren met bepaalde eigenschappen worden gebruikt om mee te fokken?
a)
Kunstmatigselectie 
b)
Veredeling
c)
Ongeslachtelijke voortplanting 
5.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

6.

Een gen is

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

7.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

8.

Een recessieve eigenschap schrijven we als:

a)

kleine letter

b)

hoofdletter

9.

een eigenschap opgeschreven als Dd

a)

homozygoot dominant

b)

homozygoot recessief

c)

heterozygoot

d)

heterozygoot dominant

10.

Een wipneus is dominant over rechte neus.

Een homozygote dominante moeder, en een homozygote recessieve vader krijgen een kindje

a)

dit kindje heeft een rechte neus

b)

dit kindje heeft een wipneus

c)

je weet niet wat dit kindje voor neus heeft

11.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

12.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

13.

Hoe heet een organisme die voor een bepaalde eigenschap identieke genen heeft?

a)

Een bacterie

b)

Een recessief organisme

c)

Een homozygoot organisme

d)

Een heterozygoot organisme

14.

Een recessief gen komt tot uiting wanneer

a)

Hij samen met een dominant gen staat

b)

Hij homozygoot voorkomt

c)

Hij heterozygoot voorkomt

d)

hij komt nooit tot uiting

15.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot Dominant

b)

Heterozygoot Recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot Recessief

16.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
17.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

18.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde genotype als het volwassen dier?

a)

Ja

b)

Nee

19.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

20.

Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

21.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?

a)

Zeker

b)

nee, dat verandert nooit

22.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

23.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

24.

Je hebt twee paar geslachtschromosomen

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

26.

Dit is een eeneiige tweeling. Welke uitspraak klopt?

a)

Genotype en fenotype zijn gelijk

b)

Genotype en fenotype zijn ongelijk

c)

Genotype is gelijk, fenotype is niet gelijk

d)

Genotype is ongelijk, fenotype is gelijk

27.

Is de persoon van het karyogram een jongen of een meisje?

a)

Jongen

b)

Meisje

28.

Men vergelijkt de naalden aan één spar. De naalden zijn niet allemaal even lang.

Is bij een korte naald het fenotype anders dan bij een lange naald? En het genotype?

a)

Alleen het genotype is anders

b)

Alleen het fenotype is anders

c)

Zowel het fenotype als genotype zijn anders

d)

Fenotype en genotype zijn bij beide gelijk

29.

Een bijenvolk bestaat uit darren (mannelijke bijen), werksters (vrouwelijke bijen) en een koningin. In bron 1 zijn deze drie typen bijen weergegeven.

Darren ontstaan uit onbevruchte eicellen. Werksters en koninginnen ontstaan uit bevruchte eicellen. Een larve, ontstaan uit een bevruchte eicel, ontwikkelt zich afhankelijk van de hoeveelheid en de samenstelling van het toegediende voedsel tot een werkster of tot een koningin.

Naar aanleiding van deze gegevens worden de volgende beweringen gedaan.

1 Bij het ontstaan van het verschil in fenotype tussen een dar en een koningin spelen verschillen in genotype een belangrijke rol.

2 Bij het ontstaan van het verschil in fenotype tussen een werkster en een koningin spelen milieufactoren een belangrijke rol.


Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

a)

Alleen bewering 1 is juist.

b)

Alleen bewering 2 is juist.

c)

De beweringen 1 en 2 zijn beide juist.