wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

BDA2 - Cellular Signaling [H9]

Total questions: 6

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Wat is JUIST voor hormonale signalering?

a)

Gespecialiseerde cellen scheiden hormoon uit in de bloedsomloop, waardoor cellen op grote afstand kunnen worden beïnvloed

b)

Het signaal kan worden gericht op een zeer specifiek doelwit, omdat de 'doelwitcel' vlakbij de 'zendcel' ligt

c)

Heel veel cellen kunnen een signaal dat in hun directe omgeving wordt geproduceerd, ontvangen en erop reageren

d)

Speciale moleculen worden door cell junctions geleid

2.

Testosteron en oestrogeen zijn lipofiele (hydrofobe) signaalmoleculen die het plasmamembraan oversteken door diffusie. Deze moleculen kunnen dus alle cellen binnendringen! Waarom reageren dan TOCH alleen specifieke cellen op deze hormonen?

a)

De cellen die GEEN doelwit zijn, missen de inactieve enzymen die de signaalmoleculen activeren

b)

De cellen die GEEN doelwit zijn, hebben enzymen die de signaalmoleculen onmiddellijk afbreken wanneer ze de cel binnenkomen

c)

De cellen die GEEN doelwit zijn, missen de intracellulaire receptoren waaraan de signaalmoleculen kunnen koppelen

d)

De signaalmoleculen diffunderen weer weg vanuit de cel voordat een effectieve concentratie kan worden bereikt

3.

G-eiwit-gekoppelde receptoren (GPRCs) __________. Receptor tyrosinekinases (RTKs) __________.

a)

zijn transmembraan-eiwitten / bevinden zich aan de cytoplasmatische zijde van het plasmamembraan

b)

werken door het fosforyleren van een eiwit / werken door een ionkanaal te openen wanneer ze gebonden zijn aan een signaalmolecuul

c)

vormen een dimeer wanneer ze worden geactiveerd / katalyseren de overdracht van een fosfaatgroep van ATP naar een eiwit

d)

zijn geen enzymen / hebben een enzymatische functie

4.

De cellulaire respons van een signaalroute die eindigt bij een TRANSCRIPTIEFACTOR kan direct leiden tot welke van de hier genoemde responsen? (één correct antwoord)

a)

Wijziging van het cytoskelet

b)

Activering van een metabole route

c)

De synthese van mRNA van een bepaald gen

d)

De activering van een inactief enzym

5.

Wanneer is een G-eiwit actief?

a)

Als het aan zijn ligand gebonden is en wordt getransporteerd naar de celkern

b)

Als GTP eraan gebonden is

c)

Als het gefosforyleerd is door een kinase

d)

Als Ca2+ aan de bijbehorende GPCR gebonden is

6.

De blauwe bolletjes in deze figuur zijn ....

a)

inactieve kinases

b)

geactiveerde kinases

c)

inactieve fosforylases

d)

geactiveerde fosforylases