Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordenschat 2de graad

Total questions: 85

Worksheet time: 52mins

Name
Class
Date
1.

Een getrouwe van een koning; een leenman van een leenheer

a)

vazal

b)

baron

c)

leenheer

d)

clerus

e)

adel

2.

Opeenvolging van heersers die tot eenzelfde familie behoren.

a)

dynastie

b)

aristocratie

c)

meritocratie

d)

adel

e)

edellieden

3.

Een staat bestaande uit een enkele stad en het achterland daarvan

a)

beschaving

b)

rijk

c)

stadstaat

d)

staat

e)

land

4.

Een samenleving of maatschappij met een bepaalde cultuur

a)

beschaving

b)

rijk

c)

cultuur

d)

staat

e)

land

5.

Na keizer de hoogste vorstelijke titel.

a)

priester

b)

keizer

c)

koning

d)

gouverneur

e)

vizier

6.

Regeringsvorm waarbij de macht bij één persoon berust, de koning

a)

Monarchie

b)

Democratie

c)

Consulaat

d)

Oligarchie

e)

Republiek

7.

Regeringsvorm waarbij wetgeving direct of indirect wordt bepaald door de burgers van een staat.

a)

Monarchie

b)

Democratie

c)

Consulaat

d)

Meritocratie

e)

Aristocratie

8.

Geheel aan gewoonten, ideeën en gebruiken van een samenleving.

a)

cultus

b)

beschaving

c)

cultuur

d)

autocratie

e)

ceremonie

9.

Persoon die is aangesteld om een deel van de overheidstaak te verrichten, mits ondergeschikt aan een hoger gezag.

a)

ambtenaar

b)

koning

c)

keizer

d)

priester

e)

boer

10.

Geschreven of ongeschreven rechtsregels

a)

cultuur

b)

gewoonten

c)

normen

d)

waarden

e)

wetgeving

11.

Samenleving waarin de bevolking in verschillende groepen is opgedeeld die elk hun eigen rechten en plichten hebben.

a)

sedentaire samenleving

b)

nomadische samenleving

c)

handel

d)

jagers en voedselverzamelaars

e)

standenmaatschappij

12.

Het ruilen van producten voor andere producten of voor geld.

a)

industrie

b)

landbouw

c)

handel

d)

jagers en voedselverzamelaars

e)

economie

13.

Rechten die door overheden gegarandeerd zijn aan hun volk en die dat volk zekere garanties verschaffen.

a)

burgerrechten

b)

democratie

c)

schuldslavernij

d)

wetgeving

e)

mensenrechten

14.

Een heffing wordt opgelegd ten behoeve van een overheid met als doel in de openbare uitgaven te voorzien.

a)

Belastingen

b)

Loon

c)

Soldij

d)

Wedde

e)

Schenking

15.

het systematisch schriftelijk vastleggen van gegevens

a)

geschiedenis

b)

administratie

c)

economie

d)

politiek

e)

chronologie

16.

wetenschap voor het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd

a)

archeologie

b)

administratie

c)

economie

d)

politiek

e)

chronologie

17.

een beroep waarbij iets met de hand gemaakt wordt

a)

ambacht

b)

handel

c)

ambtenarij

d)

administratie

e)

koning

18.

Overgang van een nomadische samenleving naar een sedentaire samenleving

a)

Neolithische Revolutie

b)

Industriële Revolutie

c)

Administratieve Revolutie

d)

Franse Revolutie

e)

Reformatie

19.

wetenschap die zich bezighoudt met het ontdekken, opgraven en bestuderen van stoffelijke resten van de mens.

a)

archeologie

b)

administratie

c)

economie

d)

politiek

e)

chronologie

20.

Dieren gewend maken aan de nabijheid van mensen.

a)

Domesticeren

b)

Irrigeren

c)

Balsemen

d)

Idealiseren

e)

Vereren

21.

Onderzoekt hoe de mens voorziet in zijn levensonderhoud

a)

economie

b)

landbouw

c)

archeologie

d)

handel

e)

ruileconomie

22.

Geleidelijke verandering doorheen de tijd

(a)  

23.

Snelle en ingrijpende verandering

(a)  

24.

Voorwerpen uit het verleden of getuigenissen uit het verleden

a)

Historische werken

b)

Historische bronnen

25.

Overblijfsel van een plant of dier dat in de aardbodem bewaard is gebleven.

a)

Mummie

b)

Fossiel

c)

Cataract

d)

Mastaba

e)

Hunebed

26.

Wanneer gouden munten als betaaldmiddel worden gebruikt

a)

Handelseconomie

b)

Landbouweconomie

c)

Ruilhandel

d)

Geldeconomie

27.

Kopen en verkopen van producten

a)

landbouw

b)

handel

c)

geldeconomie

d)

administratie

e)

ambtenarij

28.

Iets mooier en beter voorstellen dan het in werkelijkheid is

a)

idealiseren

b)

dramatiseren

c)

minachten

d)

aanbidden

e)

vereren

29.

Het aanbidden en erkennen van meerdere goden

a)

polytheïsme

b)

judaïsme

c)

monotheïsme

d)

islam

30.

Een bepaalde tijdsduur die duidelijk of minder duidelijk is afgebakend.

a)

Dag

b)

Week

c)

Maand

d)

Periode

e)

Historie

31.

Wanneer producten worden betaald met andere producten.

a)

Maritieme handel

b)

Landbouw

c)

Geldeconomie

d)

Ruileconomie

32.

Dit domein onderzoekt welke groepen er in een samenleving zijn.

a)

economie

b)

sociaal

c)

politiek

d)

cultureel

33.

Periode van 500 tot 1800

a)

vroegmoderne tijd

b)

nieuwe tijd

c)

nieuwste tijd

d)

ancien régime

e)

middeleeuwen

34.

Beeldhouwwerk met driedimensionale voorkant en platte achterkant.

a)

akropolis

b)

amfoor

c)

arcadisch

d)

bas-reliëf

e)

aardewerk

35.

Streek in Zuidoost-Europa

a)

Siberië

b)

Vruchtbare Sikkel

c)

Balkan

d)

Oostblok

e)

Perzië

36.

Elite met politieke macht. Letterlijk betekent het: "de besten zijn aan de macht".

a)

autocratie

b)

autarkie

c)

autonomie

d)

aristocratie

e)

hellenisme

37.

Zelfstandigheid, onafhankelijkheid

a)

autocratie

b)

autarkie

c)

autonomie

d)

aristocratie

e)

hellenisme

38.

Een oorlog waarbij de strijdende partijen deel uitmaken van hetzelfde land.

(a)  

39.

landinwaarts, niet gericht op de zee

a)

maritiem

b)

landelijk

c)

continentaal

d)

klimatologisch

40.

de uitvoer van producten naar andere landen

a)

export

b)

import

41.

Wetenschap die fundamentele en kritische vragen stelt over o.a. de mens en de samenleving, kennis en waarheid, goed en kwaad.

a)

economie

b)

archeologie

c)

geschiedenis

d)

filosofie

e)

etnografie

42.

Een muurschildering in waterverf op verse, natte kalk

(a)  

43.

verwijst naar de wereld

a)

globaal

b)

regionaal

c)

continentaal

d)

lokaal

44.

Duid de landen aan die deel uitmaken van het Iberisch schiereiland.

a)

Portugal

b)

Griekenland

c)

Spanje

d)

Italië

e)

Frankrijk

45.

het invoeren van grondstoffen uit het buitenland

a)

importeren

b)

uitvoeren

c)

exporteren

d)

idealiseren

46.

Vertegenwoordiger van de overheid in een bepaald gebied; gouverneur.

a)

landvoogd

b)

president

c)

consul

d)

burgemeester

47.

zeer groot

a)

luttel

b)

gering

c)

monumentaal

d)

subtiel

e)

pieterig

48.

Legwerk van stukjes steen, glas of marmer als vloer- of wandversiering.

a)

mozaïek

b)

fresco

c)

muurtapijt

d)

email

49.

Wanneer een monarch zijn macht misbruikt...

a)

Monarchie

b)

Democratie

c)

Oligarchie

d)

Technocratie

e)

Tirannie

50.

Het proces waarbij landen hun macht in andere delen van de wereld uit willen breiden door gebieden te veroveren en te beheersen.

a)

handel

b)

imperialisme

c)

isolationisme

d)

defensie

e)

kapitalisme

51.

1000 jaar

a)

eeuw

b)

decennium

c)

millennium

d)

biljoen

52.

Ander woord voor grondwet

a)

Declaratie

b)

Constitutie

c)

Edict

d)

Ordonnantie

53.

Economisch systeem waarin ondernemers gericht zijn op het maken van winst

(a)  

54.

nijverheidsbedrijf op basis van handenarbeid dat gesteund werd door de overheid

(a)  

55.

bewijs dat je een stukje van een bedrijf hebt gekocht

(a)  

56.

handelsorganisatie gericht op de handel met overzeese gebieden, bv. het VOC

(a)  

57.

bank belast met de ontwikkeling en uitvoering van monetair beleid

(a)  

58.

plek waar producten werden opgeslagen om de prijs te doen stijgen

(a)  

59.

De bescherming van de binnenlandse markt en bedrijven tegen buitenlandse concurrentie.

(a)  

60.

brief waarmee handelaren geld konden opnemen bij een bank

(a)  

61.

Vroegmoderne piraterij met toestemming van de overheid

(a)  

62.

Franse vorm van mercantilisme sterk gericht op handel

(a)  

63.

Mensen die door hun afkomst vaak behoren tot een groep invloedrijke mensen in de maatschappij bv hertog, baron, ridder, …

a)

clerus

b)

derde stand

c)

patriciërs

d)

adel

64.

De kwijtschelding van straffen die men nog in het vagevuur zou moeten ondergaan, door het schenken van geldsommen aan de katholieke Kerk.

(a)  

65.

Als iets met de landbouw verband heeft

a)

agrarisch

b)

politiek

c)

cultureel

d)

urbaan

66.

13 koloniën scheiden zich af van de Britse monarchie

a)

Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring (1776)

b)

Kolonisatie van Congo

c)

Cortès onderwerpt de Azteken

d)

Pizarro onderwerpt de Inca's

67.

Opgericht door Engelse Henry VIII = protestantse kerk die hard gelijkt op de katholieke kerk

a)

Anglicanen

b)

Lutheranen

c)

Calvinisten

d)

Hugenoten

68.

Een alleenstaande vrouw die met andere vrouwen samenwoont en een vroom leven nastreeft

a)

Heks

b)

Protestant

c)

Begijn

d)

Viking

e)

Hugenoot

69.

een stedelijke wachttoren met een stormklok, hier worden de stadskeuren bewaard

a)

belfort

b)

gevangenis

c)

windmolen

d)

engelenburcht

e)

Schouwburg

70.

Kerkelijk verbod voor de clerus om geen seks te hebben en ongehuwd te blijven

(a)  

71.

Hij ontdekt in 1492 het 'nieuwe' continent Amerika

(a)  

72.

Eerste Merovingische vorst uit de 5e - 6e eeuw. Hij was de eerste katholieke heerser van het huidige Frankrijk, België, … (= het Frankische rijk)

(a)  

73.

Een grote vergadering van christelijke kerkleiders waar theologische en kerkelijke onderwerpen worden besproken

(a)  

74.

Duid alles aan wat hiermee te maken heeft: parlementaire, constitutionele monarchie

a)

parlement

b)

grondwet

c)

koninkrijk

d)

republiek

e)

absolutisme

75.

Katholieke tegenbeweging om het protestantisme te bestrijden

(a)  

76.

Wettelijk document in Engeland dat de basis vormt voor de democratische parlementaire monarchie van dat land

(a)  

77.

Goddelijk recht waarmee Louis XIV regeerde

a)

Droit divin

b)

Droit duvel

c)

Absolutisme

d)

Monarchisme

78.

Gronden die gemeenschappelijk gebruikt en beheerd worden

a)

Tenure

b)

Pachtland

c)

Vroonland

d)

Gemene gronden

79.

Bevolkingsgroep van Nederlandse opstandelingen tegen koning Filips II in de 16e eeuw. Zij streden te land en te water tegen de Spanjaarden.

(a)  

80.

Wanneer vond de Glorious Revolution plaats?

a)

1689

b)

1688

c)

1788

d)

1789

e)

1492

81.

Het ingaan in woord of gedachte tegen gewoontes/wetten van de kerk

a)

polytheïsme

b)

monotheïsme

c)

heidendom

d)

ketterij

82.

Een verhaal over goden dat veel mensen kennen, maar niet werkelijk is gebeurd

(a)  

83.

Franse keizer in de moderne of nieuwste tijd. Hij wordt in 1815 verslagen bij Waterloo.

a)

Karel de Grote

b)

Karel V

c)

Filips II

d)

Willem van Oranje

e)

Napoleon Bonaparte

84.

Op feiten gebaseerd

a)

Subjectief

b)

Objectief

85.

Dit houdt in dat God weliswaar de schepper van het universum is, maar sinds de schepping op geen enkele wijze ingrijpt in het proces van de natuurwetten.

a)

polytheïsme

b)

judaïsme

c)

monotheïsme

d)

islam

e)

deïsme