Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Paragraaf 3.3, 3.4 & 3.5

Total questions: 23

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Een gevolg van de lopende band was dat de .... omlaag gingen.

a)

Aandelen

b)

Inkoopkosten

c)

Productiekosten

d)

handelingssnelheid

2.

In Europa was er in 1920 meer welvaart dan in de Verenigde Staten.

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

Waardoor werd de V.S. het sterkste industrieland in de 20e eeuw?

a)

Het land is heel groot.

b)

Ze hebben een sterk leger

c)

Ze produceerden sneller en goedkoper

d)

Ze hebben een consumptiemaatschappij

4.

In de roaring twenties gingen mensen meer of minder geld uitgeven?

a)

Meer

b)

Minder

5.

Wat gebeurde er op zwarte donderdag?

a)

Hitler greep de macht in Duitsland.

b)

De Russische Revolutie brak uit.

c)

Rotterdam kreeg de grootste haven van Europa.

d)

De Amerikaanse aandelenbeurs zakte als pudding in elkaar.

6.

Welk begrip past bij deze uitleg: Een periode waarin het minder goed gaat met de economie.

(a)  

7.

Wat voor een politicus was Hitler?

a)

Nationalistisch

b)

Liberaal

c)

Sociaal

d)

Communistisch

8.

Welk kenmerk hoort niet bij Hitlers partij?

a)

Racistisch

b)

Antidemocratisch

c)

Nationalistisch

d)

Communistisch

9.

Waar of niet waar? Hitler was een dictator.

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Wat was Hitler wel en Mussolini niet?

a)

Een racist

b)

Een nationaalist

c)

Een communist

d)

Een dictator

11.

In welk jaar werd Hitler rijkskanselier?

a)

1932

b)

1933

c)

1929

d)

1937

12.

Waar of niet waar? In concentratiekampen zaten alleen joden.

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

Wat is de afkorting van de partij in Nederland die op de partij van Hitler leek?

(a)  

14.

Waar of niet waar? De NSB kreeg in Nederland in 1937 weinig stemmen.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Waarom moesten Nederlanders elke dag naar het stempel lokaal?

a)

Om te vechten in de oorlog.

b)

Voor eten.

c)

Voor hun uitkering.

d)

Om te stemmen.

16.

Dit is een vorm van ....

a)

Fascisme

b)

Dictator

c)

Indoctrinatie

d)

Racisme

17.

Welk begrip past hier bij?: Een staat waarin de overheid de hele maatschappij controleert.

(a)  

18.

Waar of niet waar?: Hitler is democratisch tot leider van Duitsland verkozen.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

De Tsaar was een absolute vorst?

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

Wat waren de 2 oorzaken voor het uitbreken van de Russische Revolutie?

a)

Er was veel armoede in Rusland

b)

De Tsaar had een nieuwe wet ingevoerd

c)

De Eerste Wereldoorlog verliep rampzalig voor Rusland

d)

Lenin kwam met de trein aan in Rusland

21.

In de Sovjet-Unie had je vrijheid van meningsuiting.

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Lenin is democratisch aan de macht gekomen.

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Wie was de opvolger van Lenin in 1924

(a)