WorksheetsDuits - hv2 - kap5 - llnd - restaurant
Total questions: 86
Worksheet time: 18mins
de avond
(a)
de pannenkoek
(a)
de peper
(a)
de plek
(a)
de schnitzel
(a)
de sla
(a)
de tafel
(a)
de vis
(a)
de vork
(a)
de zuurkool
(a)
het bord
(a)
het nagerecht, het dessert
(a)
de jus d'orange
(a)
de lepel
(a)
de keus
(a)
de menukaart
(a)
de patat
(a)
de rekening
(a)
de reservering
(a)
de slagroom
(a)
de soep
(a)
de tomatensoep
(a)
het voorgerecht
(a)
de week
(a)
het bier
(a)
het drankje
(a)
het fruit
(a)
het hoofdgerecht
(a)
het mes
(a)
het raam
(a)
het restaurant
(a)
het water
(a)
het zout
(a)
afrekenen
(a)
al
(a)
anders
(a)
a.u.b.
(a)
beslissen
(a)
bestellen
(a)
betalen
(a)
bevallen
(a)
bij elkaar
(a)
boeken
(a)
brengen
(a)
contant
(a)
eindelijk
(a)
erbij
(a)
gaan
(a)
gedaan, gemaakt
(a)
gekozen
(a)
genoteerd
(a)
gesmaakt
(a)
gevraagd
(a)
gewild
(a)
graag
(a)
half
(a)
heerlijk, lekker, kostelijk
(a)
hoeveel
(a)
iets
(a)
jouw
(a)
jullie (als bezit)
(a)
klaar
(a)
krijgen
(a)
laat
(a)
maar
(a)
mag ik
(a)
meteen, gelijk
(a)
mogelijk
(a)
mogen
(a)
natuurlijk
(a)
ook
(a)
pardon
(a)
proeven, proberen
(a)
reserveren
(a)
smaken
(a)
spreken
(a)
terug
(a)
tot
(a)
tot ziens
(a)
uit
(a)
vers
(a)
waarmee
(a)
wanneer
(a)
want
(a)
weer
(a)
zo meteen
(a)
