wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 2 Evolutie en geschiedenis van het leven op aarde.

Total questions: 13

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Welke beschrijving van de evolutietheorie is het meest correct?

a)

De overgang van de ene soort in de andere soort.

b)

Het ontstaan, veranderen en verdwijnen van soorten.

c)

Het ontstaan van nieuwe soorten.

d)

De ontwikkeling van soorten op aarde.

2.

Van welke twee begrippen gaat de evolutietheorie uit?

a)

Verschil

b)

Ontwikkeling

c)

Variatie

d)

Selectie

3.

Bij welk van de volgende groepen vindt er meer genetische variatie tussen de organismen plaats?

1. Een groep organismen die zich geslachtelijk voortplanten.

2. Een groep organismen die zich ongeslachtelijk voortplanten.

a)

Bij groep 1 vindt meer genetische variatie plaats.

b)

Bij groep 2 vindt meer genetische variatie plaats.

c)

Bij beide groepen vindt evenveel genetische variatie plaats.

4.

Wanneer heeft een soort een grotere overlevingskans?

a)

Als er weinig genetische variatie tussen de soorten is.

b)

Als er veel genetische variatie tussen de soorten is.

c)

De genetische variatie heeft geen invloed op de overlevingskans van een soort.

5.

Vul het meest correcte antwoord in.

Natuurlijke selectie gaat uit van het volgende: hoe ... een organisme is, hoe groter de overlevingskans.

a)

Sterker

b)

Beter aangepast

c)

Slimmer

d)

Meer gecamoufleerd

6.

Iemand met een blaasontsteking wordt behandeld met een antibioticakuur. 1 bacterie is door een mutatie in het DNA resistent geworden voor het antibioticum.

Zal het antibioticum over een paar dagen nog goed zijn werk doen?

a)

Ja, alle bacteriën zullen geëlimineerd zijn door het antibioticum.

b)

Nee, er is nog steeds één bacterie die resistent is.

c)

Nee, steeds meer bacteriën zullen resistent worden tegen het antibioticum.

7.
Wie verzon de evolutie theorie?
a)
Albert Einstein
b)
Leonardo da Vinci
c)
Apollo
d)
Charles Darwin
8.
Kunnen door mutaties en geslachtelijke voortplanting organismen ontstaan met nieuwe genotypen?
a)
juist
b)
onjuist
9.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder.


Wat zal er gebeuren met de verhouding lichtgekleurde en donkergekleurde huisjes in de populatie?

a)

Er zullen veel meer lichte slakkenhuisjes dan donkere slakkenhuisjes zijn.

b)

Er zullen veel meer donkere slakkenhuisjes dan lichte slakkenhuisjes zijn.

c)

Er verandert niets in de verhouding lichte en donkere slakkenhuisjes.

10.

Voorbeelden van rudimentaire organen bij de mens zijn:

a)

dunne darm en staartbeen

b)

dunne darm en blinde darm

c)

staartbeen en verstandskies

d)

verstandskies en dunne darm

11.
Door middel van DNA kan worden na gegaan of twee dieren verwant zijn, dezelfde voor ouder hebben.
a)
Waar
b)
Niet waar
12.
Het leven op het land was er eerder dan het leven in het water.
a)
Waar
b)
Niet waar
13.

Bekijk de afbeelding. Uit welke groep organismen hebben zoogdieren zich ontwikkeld?

a)

Vogels

b)

Reptielen

c)

Amfibieën

d)

Dat is hieraan niet af te lezen