wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets H5 "Licht" BB

Total questions: 18

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Kunstmatige lichtbronnen zijn door mensen gemaakt.

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

Accommoderen van je oog betekent dat de pupil groter of kleiner wordt

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

Een CCD is een klein, lichtgevoelig plaatje

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Bij een convergente lichtbundel lopen de lichtstralen uit elkaar.

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Iemand die verziend is, ziet voorwerpen veraf goed.

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Hoe groter de brandpunts-afstand, hoe sterker de lens.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Lichtstralen breken als ze loodrecht op een blokje perspex vallen.

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

Een polarisatie-filter laat lichtgolven in alle richtingen door

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

Bij inzoomen met een camera komt het beeld dichterbij.

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Je linkeroor zie je in een spiegel ook links.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

Hoe reageren je pupillen als in een donkere ruimte het licht aan gaat?

a)

Je pupillen worden groter

b)

Je pupillen worden kleiner

c)

Je pupillen zijn klein en blijven klein

d)

Je pupillen zijn groot en blijven groot

12.

Jan heeft een bril, omdat hij veraf niet goed ziet. Wat weet je over de ogen van Jan en de bril die hij heeft?

a)

Jan is bijziend en heeft een bril met negatieve lenzen.

b)

Jan is bijziend en heeft een bril met positieve lenzen.

c)

Jan is verziend en heeft een bril met negatieve lenzen.

d)

Jan is verziend en heeft een bril met positieve lenzen.

13.

Met een fotocamera maak je een foto van een vaas. Wat is dan de beeldafstand?

a)

de afstand tussen de camera en de vaas

b)

de afstand tussen de lens en de vaas

c)

de afstand tussen de lens en het CCD

d)

de afstand tussen de vaas en het CCD

14.

Hoe valt een beeld op het netvlies in een oog?

a)

Het beeld staat op zijn kop en links en rechts blijven hetzelfde

b)

Het beeld staat op zijn kop en links en rechts zijn verwisseld

c)

Het beeld staat rechtop en links en rechts blijven hetzelfde

d)

Het beeld staat rechtop en links en rechts zijn verwisseld

15.

Je houdt een bolle lens in het zonlicht. Hoe loopt de lichtbundel nadat deze door de lens gebroken is?

a)

convergent en door het beeldpunt

b)

convergent en door het brandpunt

c)

divergent en door het beeldpunt

d)

divergent en door het brandpunt

16.

De kleine vlakjes op een lsd-scherm noem je pixels

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Hier zie e 6 doorsnedes van lenzen. Welke zijn positief?

a)

Allemaal

b)

1, 2, 3

c)

4, 5, 6

d)

1, 2, 3, 5, 6,

18.

Waar staat F voor?

a)

Voorwerpsafstand

b)

Lens

c)

Brandpuntsafstand

d)

Brandpunt