wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Argumenteren herhaling

Total questions: 15

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Met welk standpunt heb je te maken:

Ik vind ook dat Italië het mooiste vakantieland is.

a)

Positief standpunt

b)

Negatief standpunt

c)

Standpunt van twijfel

2.

Met welk standpunt heb je te maken:

Ik weet nog niet zeker of ik met jou in Friesland wil wonen.

a)

Positief standpunt

b)

Negatief standpunt

c)

Standpunt van twijfel

3.

Met welk standpunt heb je te maken:

Ik vind het niet verstandig van jou dat je elke avond zo laat naar bed gaat.

a)

Positief standpunt

b)

Negatief standpunt

c)

Standpunt van twijfel

4.

Aan welke signaalwoorden herken je een argument?

a)

Want, omdat, dus

b)

Namelijk, aangezien, immers

c)

Want, namelijk, kortom

d)

Aangezien, omdat, echter

5.

Welke bronnen zijn betrouwbaar? Geef alle bronnen aan die betrouwbaar zijn.

a)

NRC (krant)

b)

Trouw (krant)

c)

Nu.nl

d)

Wikipedia

e)

Henksblog.nl

6.

Welke twee soorten argumenten zijn er?

a)

Feitelijke en waarderende argumenten

b)

Objectieve en echte argumenten

c)

Subjectieve en slechte argumenten

d)

Goede en slechte argumenten

7.

Een feitelijk argument is een argument

a)

Dat je kunt controleren

b)

Dat je eigen mening bevat

c)

Dat vaak niet waar is

d)

Dat altijd klopt

8.

Een waarderend argument is een argument dat

a)

altijd waar is

b)

je kunt controleren

c)

een mening weergeeft

d)

een feit weergeeft

9.

Met een tegenargument ontkracht je

a)

een standpunt

b)

een argument

c)

een tekstgedeelte

d)

een mening

10.

Met een weerlegging ontkracht je

a)

een standpunt

b)

een argument

c)

een tekstgedeelte

d)

een mening

11.

Mijns inziens moeten er op school alleen gezonde etenswaren verkocht worden, want dat zal bijdragen aan de gezondheid van de jeugd.


Wat is in deze zin het standpunt?

(a)  

12.

Mijns inziens moeten er op school alleen gezonde etenswaren verkocht worden, want dat zal bijdragen aan de gezondheid van de jeugd.


Wat is in deze zin het argument?

(a)  

13.

Mijns inziens moeten er op school alleen gezonde etenswaren verkocht worden, want dat zal bijdragen aan de gezondheid van de jeugd.


Wat is in deze zin het signaalwoord dat een argument aankondigt?

(a)  

14.

Mijns inziens moeten er op school alleen gezonde etenswaren verkocht worden, want dat zal bijdragen aan de gezondheid van de jeugd.

Ik vind dat de scholen mogen verkopen wat ze willen. Het is niet de taak van de scholen om bij te dragen aan de gezondheid van de jeugd.


Wat is het tegenargument in deze zin?

(a)  

15.

Mijns inziens moeten er op school alleen gezonde etenswaren verkocht worden, want dat zal bijdragen aan de gezondheid van de jeugd.

Ik vind dat de scholen mogen verkopen wat ze willen. Het is niet de taak van de scholen om bij te dragen aan de gezondheid van de jeugd.


Wat is de weerlegging in deze zin?

(a)