Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordsoorten en zinsontleding

Total questions: 36

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?


Het Kindcentrum is gesloten vanwege het Coronavirus.

a)

gesloten

b)

is gesloten

c)

is

d)

het Coronavirus

2.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?


Gisteren ging juffrouw Toiny met juffrouw Hanneke wandelen in het bos.

a)

ging

b)

juffrouw Hanneke

c)

in het bos

d)

juffrouw Toiny

3.

Wat is het gezegde in de volgende zin?


De kinderen van groep 8 hebben huiswerk gemaakt.

a)

hebben gemaakt

b)

hebben

c)

De kinderen van groep 7 en 8

d)

gemaakt

4.

Op school zijn repetities voor de musical Hair.


Wat is het onderwerp?

a)

repetities

b)

op school

c)

voor de musical hair

5.
Het meisje pakt een bekertje met water en zet haar tas neer.Welke zelfstandige naamwoorden staan er in deze zin? 
a)
meisje, bekertje, water, tas
b)
water, tas
c)
haar, meisje
6.
Op welke manieren kun je controleren of je te maken hebt met een zelfstandig naamwoord?
a)
Kijken of er twee voorzetsels in de buurt staan.
b)
Het woord in een andere tijd zetten.
c)
Een lidwoord ervoor zetten en er meervoud van maken.
7.

De atleet gaf na twintig kilometer in een klein dorpje op.


Wat is het onderwerp?

(a)  

8.

Vandaag vergaderen we in een lekker koel lokaal.


Wat is het gezegde?

(a)  

9.

Kloppen de zinsdeelstreepjes?

De antieke televisie van mijn ouders / is / nu / helemaal kapot.

a)

Goed verdeeld

b)

Fout verdeeld

10.

Kloppen de zinsdeelstreepjes?

De bange / jongen / hoorde / een vreemd geluid / op de zolder van het huis.

a)

Goed verdeeld

b)

Fout verdeeld

11.
Welke verdeling klopt?
a)
Geert / vliegt / vanavond / voor zijn werk  naar Londen.
b)
Geert / vliegt / vanavond  voor zijn werk / naar Londen.
c)
Geert / vliegt / vanavond / voor zijn werk / naar Londen.
d)
Geert  vliegt / vanavond / voor zijn werk / naar Londen.
12.

De strenge directrice is niet aardig!


Wat is het onderwerp?

a)

aardig

b)

de strenge directrice

c)

directrice

d)

de directrice

e)

niet aardig

13.

Ik bel haar op.

a)

Dit is het werkwoordelijk gezegde

b)

op hoort niet bij het werkwoordelijk gezegde

14.

Op het schoolplein proberen de jongens de bal in het doel te gooien.


Wat is 'de bal' voor zinsdeel?

a)

lijdend voorwerp

b)

onderwerp

15.

2D werkt heel erg hard!

a)

Werkwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Lidwoord

16.
 Wat is het gekleurde woordsoort? In de metro kwam ik een oude vriend tegen.
a)
znw
b)
bijv.nw
c)
lw
d)
aanw.vnw
17.
Wat is het gekleurde woordsoort? Uit het huis sloegen de vlammen omhoog.
a)
znw
b)
lw
c)
bnw
d)
aanw.vnw
18.
We hadden ons erg verheugd op hun bezoek. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
vragend vnw
b)
bez.vnw
c)
aanw.vnw
d)
pers.vnw
19.
We hadden ons erg verheugd op hun bezoek. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
bez.vnw
b)
pers.vnw
c)
aanw.vnw
d)
vragend vnw
20.

We moeten haar waarschuwen voor m’n overburen.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
bijv.nw
b)
pers.vnw
c)
bez.vnw
d)
aanw.vnw
21.

We moeten haar waarschuwen voor m’n overburen.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
pers.vnw
b)
aanw.vnw
c)
bez.vnw
d)
znw
22.

Ze hebben zich vergist in onze bedoelingen.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
bez.vnw
b)
vragend vnw
c)
bijv.nw
d)
znw
23.

Hoeveel lidwoorden hebben we in het Nederlands?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

24.

Waar of niet waar?

Een werkwoord zegt wat iets of iemand doet of wat er gebeurt.

a)

waar

b)

niet waar

25.

Waar of niet waar?

Namen zijn zelfstandige naamwoorden.

a)

waar

b)

niet waar

26.

Waar of niet waar?

Een bijvoeglijk naamwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord.

a)

waar

b)

niet waar

27.

Wat is het werkwoord?

Mijn vader schildert de kozijnen van ons huis.

(a)  

28.

Voorzetsels?

Leerlingen van de middelbare school gaan vandaag voor het eerst weer naar school.

a)

van

b)

de

c)

voor

d)

gaan

e)

naar

29.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

De naam van een mens dier of ding

b)

Het zegt iets over het zelfstandig naamwoord.

c)

de het een

d)

ik jij hij zij wij jullie zij

30.

De docent twijfelde over het juiste antwoord.

a)

ow

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

31.

In het donker liet de man zijn hondje uit.

a)

ow

b)

mv

c)

lv

32.

De zeeman gaf de hond een lekker bot.

a)

lv

b)

mv

c)

ow

33.

Twee dames hadden hun jas vergeten.

a)

lv

b)

mv

c)

ow

34.

Het onderwerp kan met een voorzetsel beginnen.

a)

Waar

b)

Niet waar

35.

Bij grammatica zinsontleding benoem je de functies van de delen van een zin.

a)

Waar

b)

Niet waar

36.

Vanmorgen vroeg begonnen de kinderen van de buren spontaan te huilen. Wat is het wwg?

a)
begonnen te huilen
b)
huilen
c)
begonnen
d)
begonnen te