wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

literatuurgeschiedenis Nederlands 6VWO - Middeleeuwen

Total questions: 12

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Wat is waar over de Germaanse literatuur?

a)

In West-Europa is geen Germaans tekstmateriaal bewaard gebleven.

b)

De Edda's zijn Noorse literatuur.

c)

De Edda's zijn geschreven door iemand met deze achternaam, de voornaam is onbekend.

d)

Skalden zijn Noorse boeken met heldendichten.

2.

Wat is waar over Germaanse verzen?

a)

De aanvangsklanken van sommige beklemtoonde woorden, waren hetzelfde.

b)

Germaanse gedichten waren altijd heldenliederen.

c)

Kenmerk van het Germaanse vers is alliteratie.

d)

Kelten keken de kunst af van de Germanen en maakten daarom ook heldenliederen.

3.

Wat is waar over de Keltische literatuur?

a)

Cuchulain schreef gedichten over Beowolf; een Schotse held.

b)

De Kelten leerden lezen toen het Christendom werd ingevoerd.

c)

Cuchulain was een Schotse vrijheidsstrijder.

d)

De verhalen over een Ierse vrijheidsstrijder zijn ontstaan in de 12e en 13e eeuw.

4.

Wat is waar over de Grieks-Romeinse literatuur?

a)

Ilias is een heldendicht van 16.000 versregels en hiermee begon de Romeinse literatuur.

b)

Odyssee is een heldendicht van 11.000 versregels dat is geschreven door Odysseus over de Trojaanse oorlog.

c)

Latijn was in deze tijd de voertaal voor kerk en regering en daarmee voor de wetenschap.

d)

De antieke voorbeelden zijn uitgestorven na de Renaissance omdat toen het geloof steeds minder een rol ging spelen.

5.

Waarom zijn er nauwelijks vroegmiddeleeuwse teksten bewaard gebleven in de volkstaal?

a)

Er zijn veel dingen vernietigd uit de oudheid. Dit maakt er deel van uit.

b)

Omdat burgers in woede uitbarstten en geschriften vernietigden omdat ze alleen in het Latijn waren geschreven.

c)

Bibliotheken zijn moedwillig verbrand door ketters die religieuze geschriften wilden vernietigen vanwege indoctrinatie.

d)

Teksten waren onder meer geschreven op slecht houdbaar papier/perkament.

6.

Wat is onwaar over literatuur tot 1050?

a)

In de prehistorie kenden we alleen mondelinge literatuur.

b)

In de oude geschiedenis kenden we alleen Latijnse teksten.

c)

De Wachtendonkse psalmen zijn geschreven in de Vroege Middeleeuwen.

d)

Het eerste volledige boek in het Nederlands is getiteld: Willeram.

7.

Wat is onwaar over de late Middeleeuwen?

a)

De familie regelde een huwelijk dat niet in de kerk hoefde te worden gesloten.

b)

De graalridders van koning Arthur vonden op Montségur de beker waaruit Jezus had gedronken tijdens het laatste avondmaal.

c)

Industrie ontstond rondom kloostergemeenschappen die grootgrondbezitters waren.

d)

De Middeleeuwse wetenschap was gebaseerd op de zeven vrije kunsten waaronder grammatica en retorica.

8.

Waarom schreven Middeleeuwse schrijvers graag fabels en sprookjes?

a)

Omdat ze daarmee het harde leven konden verzachten. Het was ontspannend voor de lezer èn de schrijver.

b)

Omdat dit de enige manier was om je mening te geven als die anders was dan die van de heersende klasse.

c)

Omdat Middeleeuwse kunst gemeenschapskunst was en daarom voor iedereen toegankelijk moest zijn.

d)

Omdat ze alleen konden kiezen voor deze categorieën of voor religieuze teksten.

9.

Wanneer was de uitvinding van de boekdrukkunst?

a)

Rond 1450; een massaproductie op basis van blokboeken.

b)

Rond 1500; incunabelen genoemd.

c)

Rond 1550; wiegendrukken.

d)

Rond 1455 door Gutenberg te Mainz

10.

Wat is onwaar over Karel ende Elegast?

a)

Dit boek bleef achter slot en grendel omdat het gold als gevaarlijk en slecht voor goede zeden.

b)

Dit was een bekend ridderverhaal over keizer Karel de Grote.

c)

Het is geschreven om te worden voorgedragen voor een groot publiek.

d)

Het enige dat we weten van de schrijver, is zijn voorletter H.

11.

Welke verhaalvorm stamt beslist niet uit de Middeleeuwen?

a)

Karelromans

b)

Arthurromans

c)

Volksboeken

d)

Voorgedragen teksten

12.

Wat zijn rederijkerskamers?

a)

Dat zijn literatuurgenootschappen.

b)

Dat zijn handelsbedrijven bij havens.

c)

Dat zijn kamers in een schrijversklooster bij het kasteel van Gelre.

d)

Ruimtes in grote huizen van edelen die van literatuur hielden.