wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 Gambia 1 h/m (De Geo LRN-Line)

Total questions: 45

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Harmattan is? (leerdoel 1+ 4b)

a)

een wind met rook van bosbranden

b)

een giftige hagedis

c)

een vochtige zee wind die zorgt voor mist

d)

een droge stoffige wind

2.

Zuigelingensterfte is (leerdoel 1)

a)

sterfte bij kinderen boven de 1 jaar oud

b)

sterfte bij ouderen boven de 40 jaar oud

c)

sterfte bij kinderen onder 1 jaar oud

d)

sterfte bij kleuters

3.

Iets wat iedereen echt nodig heeft om redelijk te kunnen leven noem je een (a)   (leerdoel 1)

4.

Het BNP is het geld dat alle inwoners van een land verdienen in een jaar (leerdoel 1)

a)

juist

b)

onjuist

5.

Hoe heet de rivier die door Gambia stroomt? (leerdoel 3)

a)

Malawi rivier

b)

Rijn

c)

Gambia

d)

Nijl

e)

Gambezié

6.

Welk land ligt om Gambia heen? (leerdoel 3)

a)

Senegal

b)

Kenia

c)

Guinee

d)

Mali

7.

Hoe heet de hoofdstad van Gambia? (leerdoel 3)

a)

Banjul

b)

Mali

c)

Mauritanië

d)

Bangkok

e)

Kaur

8.

Welk klimaat heeft Gambia? (leerdoel 4)

a)

toendraklimaat

b)

steppeklimaat

c)

tropisch regenwoudklimaat

d)

savanneklimaat

9.

Wat is een mangrovebos? (leerdoel 5)

a)

bos in savanne

b)

bos in steppe

c)

tropisch regenwoud

d)

bomen die in zout water staan

10.

Welke twee uitspraken zijn juist? (leerdoel 8)

a)

De harmattan kun je verwachten in de maanden december t/m maart

b)

In Gambia valt het hele jaar veel neerslag

c)

De harmattan kun je verwachten in de maanden juni t/m september

d)

Gambia heeft een savanneklimaat (warmer dan 18 graden en een regenseizoen)

11.

Welke drie cultuurkenmerken zijn er? (leerdoel 9)

a)

inkomsten

b)

taal

c)

geloof

d)

artsendichtheid

e)

gewoonten

12.

Welke twee landen wouden Gambia bezitten? (leerdoel 10a)

a)

Nederland

b)

Groot-Brittannië

c)

België

d)

Spanje

e)

Frankrijk

13.

De grenzen van Gambia zijn deels bepaald met behulp van een? (leerdoel 10b)

a)

pistoolschot

b)

revolverschot

c)

kompas

d)

kanonschot

14.

Op welke manieren kun je het ontwikkelingspeil van een land meten? (leerdoel 11)

a)

meten van inkomen

b)

meten van aantal artsen per 1000 inwoners

c)

kijken naar de infrastructuur

d)

kijken naar bevolkingsaantal

e)

meten hoe groot een land is

15.

'Als we kijken naar de infrastructuur op de foto kan je zeggen dat het een arm land betreft' (leerdoel 12)

a)

goed

b)

fout

16.

Welke kenmerken horen bij Gambia? (leerdoel 13)

a)

analfabetisme is hoog

b)

analfabetisme is laag

c)

zuigelingensterfte is hoog

d)

zuigelingensterfte is laag

17.

Hoe hoger het analfabetisme in een land, hoe (kies uit) hoger/lager het ontwikkelingspeil van een land is (leerdoel 13)

(a)  

18.

Om het BNP tussen twee landen te vergelijken moet je 3 aanpassingen doen. Welke? (leerdoel 15)

a)

Het BNP delen door het aantal inwoners

b)

Het aantal inwoners delen door het BNP

c)

rekening houden met het minimumloon

d)

rekening houden met de verschillen in koopkracht

e)

dezelfde munteenheid gebruiken

19.

Welke basisbehoefte ontbreekt in dit rijtje? (leerdoel 17)

' gezondheidszorg, huisvesting, voedsel en (a)  

20.

Zuigelingensterfte zegt iets over ... (leerdoel 17)

a)

huisvesting

b)

voedsel

c)

onderwijs

d)

gezondheidszorg

21.

Schoon drinkwater zegt iets over de basisbehoefte ... (leerdoel 17)

a)

voedsel

b)

huisvesting

c)

gezondheidszorg

d)

onderwijs

22.

Welke uitspraak is juist over de de bevolkingsdiagram van Gambia? (leerdoel 18d)

a)

De levensverwachting is laag

b)

De levensverwachting is hoog

c)

Je ziet hier de bevolkingsspreiding in het land Gambia

d)

Je ziet hier de verdeling van de beroepsbevolking

23.

Bij welke sector hoort dit beroep? (leerdoel 18b)

a)

landbouw

b)

diensten

c)

industrie

24.

In een arm land als Gambia werken de meeste mensen in de .... (leerdoel 18b)

a)

landbouw

b)

industrie

c)

diensten

25.

Welke uitspraak is waar over de import en export van Gambia? (leerdoel 19a)

a)

Gambia exporteert dure producten zoals computers

b)

Gamba exporteert vooral pinda's en producten gerelateerd aan pinda's

c)

Gambia importeert veel voedings- genotsmiddelen (tabak, koffie, suiker)

d)

Gambia importeert veel pinda's

26.

Waarom vertrekken veel mensen uit de dorpen naar grote steden? (leerdoel 19d)

a)

Ze moeten weg, omdat er bossen aangelegd moeten worden

b)

Ze gaan weg, omdat er weinig werk is op het platteland

c)

Ze gaan weg, omdat het mooier weer is in de steden

d)

Ze gaan weg, om de bevolking eerlijker te verspreiden in het land

27.

Het grootste deel van de wegen in Gambia zijn geasfalteerd (leerdoel 19c)

a)

juist

b)

onjuist

28.

Welke uitspraken over het onderwijs in Gambia zijn juist? (leerdoel 19b en 25)

a)

In Gambia is een leerplicht

b)

Ouders moeten onderwijs zelf betalen

c)

Veel kinderen moeten ver reizen om naar school te gaan

d)

In Gambia kan je niet studeren

29.

Waar in Gambia is de bevolkingsdichtheid het hoogst? (leerdoel 18a & 20)

a)

In het oosten langs de kust

b)

Langs de hele rivier helemaal tot aan de grens

c)

In het zuidwesten, langs de kust bij de hoofdstad

d)

De bevolkingsdichtheid is in Gambia helemaal gelijk

30.

Absolute of relatieve bevolkingscijfers? 'In een land wonen 2.000.000 inwoners. Afgelopen jaar werden er 250.000 kinderen geboren. In hetzelfde jaar overleden er 200.000 mensen'. (leerdoel 21)

a)

absolute bevolkingscijfers

b)

relatieve bevolkingscijfers

31.

Gaat het volgende voorbeeld over een absoluut of relatief bevolkingscijfer? (leerdoel 21)

'In Gambia is het geboortecijfer 29,4 kinderen per 1000 inwoners.'

a)

absoluut bevolkingscijfer

b)

relatief bevolkingscijfer

32.

Welke 2 gegevens heb je nodig om de natuurlijke bevolkingsgroei te kunnen berekenen? (leerdoel 22)

a)

hoeveel kinderen er geboren zijn

b)

hoeveel mensen er zijn overleden

c)

wat de gemiddelde leeftijd is in een land

d)

hoeveel mensen er verhuizen

33.

Welke uitspraken over 'urbanisatie' zijn juist? (leerdoel 1 & 23)

a)

een ander woord voor urbanisatie is verstedelijking

b)

Urbanisatie is de trek van mensen van het platteland naar de stad

c)

een ander woord voor urbanisatie is suburbanisatie

d)

Urbanisatie is het verhuizen van mensen van het ene land naar een ander land.

34.

Wat zijn voorbeelden van infrastructuur? (leerdoel 24)

a)

wegen

b)

spoorwegen

c)

internet

d)

vliegveld

35.

Directe of indirecte werkgelegenheid in het toerisme? (leerdoel 26)

'bakker'

a)

directe werkgelegenheid

b)

indirecte werkgelegenheid

36.

Directe of indirecte werkgelegenheid in het toerisme? (leerdoel 26)

'gids bij een excursie'

a)

directe werkgelegenheid

b)

indirecte werkgelegenheid

37.

Directe of indirecte werkgelegenheid in het toerisme? (leerdoel 26)

'bouwvakker die een hotel bouwt'

a)

directe werkgelegenheid

b)

indirecte werkgelegenheid

38.

Welke uitspraken over de informele sector in Gambia zijn juist? (leerdoel 27)

a)

Het zijn hoogopgeleide beroepen

b)

Het wordt slecht betaald

c)

Er wordt geen belasting betaald

d)

De overheid weet hoeveel geld er in deze sector wordt verdiend

39.

Arbeidsmigranten kunnen voordelig en nadelig zijn voor Gambia (leerdoel 28)

a)

Goed

b)

Fout

40.

Wie vormen de arbeidsmigranten die weggaan uit Gambia? (leerdoel 28)

a)

meestal laagopgeleide werkloze inwoners

b)

meestal buitenlanders die tijdelijk werken in Gambia

c)

meestal ongeschoolde werknemers

d)

meestal geschoolde werknemers

41.

Wat is een negatief gevolg van arbeidsmigranten voor Gambia? (leerdoel 28)

a)

al het geld wat wordt verdiend in het buiteland komt niet terug in Gambia

b)

een deel van het verdiende geld wordt teruggestuurd naar familie in Gambia

c)

in Gambia ontstaat er een tekort aan geschoolde werknemers

d)

in Gambia neemt de werkloosheid toe

42.

Het uitdelen van voedsel en water na een natuurramp is een voorbeeld van... (leerdoel 30)

a)

noodhulp

b)

structurele hulp

43.

Een waterput slaan is een voorbeeld van ... (leerdoel 30)

a)

noodhulp

b)

structurele hulp

44.

Welk begrip hoort bij deze omschrijving: 'Steun die arme landen krijgen om hun levensomstandigheden te verbeteren' (leerdoel 1 en 30)

a)

ontwikkelingshulp

b)

ontwikkelingssamenwerking

c)

noodhulp

d)

structurele hulp

45.

Is deze uitspraak goed of fout? 'Ontwikkelingssamenwerking houdt alleen financiële hulp in. Landen geven alleen geld aan ontwikkelingslanden.' (leerdoel 30)

a)

goed

b)

fout