wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Theorie lezen hoofdstuk 1 t/m 5

Total questions: 51

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.
Als je de bron opschrijft, moet daar altijd de datum bij.
a)
Nee, dat hoeft niet.
b)
Ja, dat moet.
2.
Waar de hele tekst over gaat, is ....
a)
het onderwerp
b)
het deelonderwerp
c)
de hoofdgedachte
3.
Deelonderwerpen staan in een tekst in ...
a)
de inleiding
b)
het middenstuk
c)
het slot
d)
de inleiding en het slot
4.
Een zin waarin het belangrijkste staat wat er in de tekst over het onderwerp wordt gezegd, is
...
a)
het deelonderwerp.
b)
de bron.
c)
het onderwerp.
d)
de hoofdgedachte.
5.
De hoofdgedachte staat meestal...
a)
in de middelste alinea's.
b)
in het slot.
c)
in de inleiding en het slot.
d)
alleen in de inleiding.
6.

Als gevraagd wordt naar de aanleiding voor het schrijven van de tekst, wil men weten..

a)

waarom de schrijver de tekst heeft geschreven.

b)

hoe de schrijver op het idee is gekomen om de tekst te schrijven.

c)

wat het doel is van de tekst.

7.

Een goede tekst bestaat uit

a)

een inleiding en een slot

b)

een inleiding en een middenstuk

c)

een middenstuk en een slot

d)

een inleiding, middenstuk en slot

8.
Deelonderwerpen staan in een tekst in ...
a)
de inleiding.
b)
het middenstuk.
c)
het slot.
d)
de inleiding en het slot.
9.
In de kernzin staat de hoofdzaak van ....
a)
de tekst.
b)
een alinea.
10.
De belangrijkste informatie in een tekst noemen we ..
a)
hoofdzaken.
b)
bijzaken.
11.
De kernzin van een alinea is meestal (dus niet altijd!) de ..
a)
eerste en laatste zin van de alinea.
b)
de eerste of laatste zin van de alinea.
12.
Bijzaken zijn dingen in een tekst die ...
a)
niet zo belangrijk zijn.
b)
die belangrijk zijn.
13.
Voor het maken van een samenvatting gebruik je ....
a)
de hoofdgedachte.
b)
de bijzaken.
c)
de kernzinnen.
14.
Een nadere uitleg of een voorbeeld van iets uit de kernzin staat ....
a)
in de zinnen voor of na de kernzin.
b)
in de kernzin.
15.
In welk rijtje staan alleen maar tekstdoelen?
a)
informeren amuseren overtuigen  instrueren voorlezen
b)
informeren interviewen amuseren  overhalen   instrueren
c)
informeren amuseren overtuigen  overhalen  instrueren
16.

Wat de belangrijkste informatie is een tekst noem je

a)

bijzaken

b)

deelonderwerpen

c)

hoofdzaken

d)

bron

17.

Wat minder belangrijk is in een tekst noem je

a)

deelonderwerpen

b)

bron

c)

tussenkopjes

d)

bijzaken

18.

Signaalwoorden die aangeven dat er een voorbeeld of toelichting komt, zijn

(er zijn meerdere antwoorden goed)

a)

omdat, want

b)

onder andere, zo

c)

neem nou, bijvoorbeeld

d)

zoals

e)

echter, maar

19.

Op welke vraag geeft de hoofdgedachte antwoord?

a)

Wat is het belangrijkste wat er in de tekst over het onderwerp wordt gezegd?

b)

Wat zijn de hoofdzaken die in de tekst worden gezegd?

c)

Wat is het belangrijkste wat in de tekst wordt gezegd?

20.

Waar staan in een tekst meestal de hoofdzaken?

a)

In de inleiding en in het slot

b)

In de alinea's en het slot

c)

In de inleiding, het slot en de eerste of laatste zin van de alinea's

21.

Een chronologisch verband beschrijft gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

22.

Ten eerste, ten tweede en ten slotte zijn signaalwoorden die passen bij een tegenstellend verband.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

23.

Welk signaalwoord hoort bij een opsommend verband?

a)

daarnaast

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

24.

Welk signaalwoord hoort bij een tegenstellend verband?

a)

echter

b)

tevens

c)

dan

d)

als

25.

Welk signaalwoord hoort bij een chronologisch verband?

a)

eerst

b)

en

c)

doordat

d)

bijvoorbeeld

26.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Chronologisch tekstverband

b)

Tegenstellend tekstverband

c)

Opsommend tekstverband

27.

Van welk tekstverband is hier sprake?


Hoewel hij niet van Spanje houdt, gaat hij er elk jaar heen.

a)

Opsommend tekstverband

b)

Chronologisch tekstverband (tijdsvolgorde)

c)

Tegenstellend tekstverband

28.

Welk tekstverband vind je in de onderstaande zin?


Je moet eerst de bloemen schuin afsnijden, daarna doe je water in een vaas en als laatste zet je de bloemen in de vaas.

a)

Chronologisch tekstverband (tijdsvolgorde)

b)

Opsommend tekstverband

c)

Tegenstellend tekstverband

29.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Vancouver Island heeft ontzettend veel mooie natuur te bieden. Ook kun je er met een boot op zoek gaan naar walvissen en zwemmen tussen de zalmen.

a)

Chronologisch tekstverband (tijdsvolgorde)

b)

Opsommend tekstverband

c)

Tegenstellend tekstverband

30.

'Ik vind je aardig, maar ik kan je niet helpen.'

a)

'Maar' geeft een opsomming aan.

b)

'Maar' geeft een tegenstelling aan.

31.

Hoewel ik genoeg geld heb, koop ik die telefoon toch niet.

a)

Dit is een chronologisch tekstverband (tijdsvolgorde).

b)

Dit is een tegenstelling.

32.

Het signaalwoord 'bovendien' duidt op een...

a)

chronologisch tekstverband

b)

opsommend tekstverband

c)

tegenstellend tekstverband

33.
Een feit is altijd waar.
a)
Niet waar
b)
Waar
34.
Een ander woord voor mening is:
a)
een feit
b)
een standpunt
c)
een argument
35.
Mening of feit? 'Vorig jaar was ik 12.'
a)
Mening
b)
Feit
36.
Je gebruikt argumenten om:
a)
feiten te onderbouwen voor alle duidelijkheid.
b)
meningen en standpunten te onderbouwen.
37.
Mening of feit? 'Volgens hem is het koud.'
a)
Feit
b)
Mening
38.
In welke zin staat een mening?
a)
Het is koud vandaag.
b)
Het is maandag vandaag.
c)
Er zitten jongens en meiden in de klas.
d)
Het is winter.
39.
Signaalwoorden voor redengevend (argumenten) tekstverband zijn:
a)
daarna, vervolgens, toen, intussen
b)
volgens hem, ik vind, mijn mening is
c)
immers, omdat, namelijk, want
40.
Wat is in onderstaande zin het rode gedeelte? Hij vindt het boek niet mooi, omdat het niet over vroeger gaat.
a)
mening
b)
signaalwoord van mening
c)
argument
d)
signaalwoord van redengevend tekstverband
41.
Wat is in onderstaande zin het groene gedeelte? Hij vindt het boek niet mooi, omdat het niet over vroeger gaat.
a)
mening
b)
signaalwoord van mening
c)
een argument
d)
signaalwoord van redengevend tekstverband
42.
Wat is in onderstaande zin het blauwe gedeelte? Hij vindt het boek niet mooi, omdat het niet over vroeger gaat.
a)
mening
b)
signaalwoord van mening
c)
argument
d)
signaalwoord van redengevend tekstverband
43.
Synoniemen voor mening zijn:
a)
visie, opinie, bewering
b)
reden, argument
44.
In welke zin staat een argument?
a)
Van haar mogen we stoppen met het songfestival.
b)
Het songfestival hoort er nu eenmaal bij.
c)
De uitslag wordt immers te veel bepaald door vriendjespolitiek.
d)
Het songfestival is een showspektakel waar veel geld aan verdiend wordt.
45.

Juist of onjuist?

Informatie in teksten is altijd betrouwbaar.

a)

juist

b)

onjuist

46.

Kritisch lezen betekent dat je let

a)

op de illustraties die bij de tekst staan.

b)

op het doel van de tekst.

c)

op de bron van de tekst.

d)

op de titel en tussenkopjes van de tekst.

e)

op de deskundigheid van de schrijver.

47.

De bron van een tekst betekent

a)

wie de tekst geschreven heeft.

b)

waar je de tekst gevonden hebt.

c)

wat het doel is van de tekst.

48.

Als je bij kritisch lezen op de bron van een tekst let, kijk je

a)

naar de datum waarop de tekst is gepubliceerd.

b)

uit welke bron de tekst komt.

c)

naar het gebruikte lettertype.

d)

naar de afbeeldingen.

49.

Wanneer is een schrijver deskundig?

a)

Als hij zich uitgebreid in het onderwerp heeft verdiept.

b)

Als hij veel ervaring heeft met het onderwerp.

c)

Als hij het onderwerp leuk brengt.

d)

Als hij professor is.

e)

Als hij veel geld verdient.

50.

Bij het doel van de tekst moet je je afvragen...

a)

wanneer de schrijver de tekst heeft geschreven.

b)

wat de schrijver met de tekst wil bereiken.

c)

wat de aanleiding was voor het schrijven van de tekst.

51.

Wat doe je als je een tekst kritisch leest?

(a)